Walter van Ginneken vaart niet meer

Hij draagt nog steeds een strikje, onberispelijk geknoopt. ‘Maar niet altijd meer.’ Rookt nog steeds Players. ‘Voor de oorlog rookte iedereen het. Er zijn nu nog drie zaken in Vlaardingen waar je ze kunt kopen.’ In café Mes, zijn toenmalige pleisterplaats in de lunchpauze, is hij al lang niet meer geweest. En met zijn bootje varen, een hengeltje uitgooien in de Foppenplas, is er niet meer bij. Fysiek te zwaar.

Walter van Ginneken (82, Oudenbosch) was van 1963 tot 1982 directeur van de Stadsgehoorzaal, de trotse creatie van Sybold van Ravesteyn. Hij was er altijd, stond als een echte gastheer in de wandelgang tegenover de ingang en had altijd dat strikje om. Eenmaal per jaar verscheen hij op het podium, tijdens de nieuwjaarsvoorstelling met bal na in de Harmonie, om zijn publiek ‘Een recht gelukkig nieuwjaar’ te wensen.

Hij begon in een tijd dat de kermis geen kermis mocht heten, maar paardenmarkt heette. In het conservatieve Vlaardingen kreeg het gebouw in 1952 daarom niet de naam Theater of Schouwburg, maar Stadsgehoorzaal. Net met vervroegd pensioen bij de Koninklijke Pakketvaartmaatschappij en terug uit Singapore (10 jaar) en Batavia (5 jaar), solliciteerde hij naar de vacante functie van directeur. Enigszins tot zijn verbazing werd hij aangenomen.

Geheel zonder ervaring was Van Ginneken echter niet. In Singapore had hij als ‘commissaris lol’ in de Hollandse Club avonden georganiseerd met Anneke Grönloh, de Dutch Swing College Band, Blue Diamonds, Bernard Drukker en Max Tailleur. Na zijn aanstelling in Vlaardingen keek hij bij andere schouwburgen in Nederland de kunst af. Bij zijn vertrek had hij zoveel ervaring opgedaan dat hij de vraagbaak was geworden voor beginnende theaterdirecteuren.

Aanvankelijk was de Stadsgehoorzaal niet meer dan een verhuurbedrijf: amateurtoneelverenigingen speelden er, personeelsverenigingen organiseerden er gezellige avondjes, op zondag was er film. Alleen het Vlaardings Kunstcentrum (VKC), de lokale versie van de Maatschappij tot nut van ’t algemeen, bood een programma van acht voorstellingen met gesubsidieerd toneel.

Pas na de opheffing van het VKC begon Van Ginneken zelf te programmeren. Het aantal voorstellingen groeide geleidelijk tot een kleine zeventig, het budget tot 35.000 gulden. ‘Ik ben met vijfduizend gulden begonnen’, vertelt Van Ginneken. ‘Met André van Duijn kon je wat verdienen, op andere voorstellingen moest je toeleggen. Voor ballet was weinig belangstelling, naar het gesubsidieerde toneel kwam bijna niemand kijken. Ook al die amateurtoneelspelers niet. Je moest wel hoofdzakelijk op een groot publiek programmeren.’

‘Ik ben begonnen met een kleine serie in de Harmonie: Hypocampus. Klein toneel, vestzakoperette. Daar waren heel leuke voorstellingen bij. Ik herinner me één uitverkochte voorstelling met Seth Gaaikema, een toen nog betrekkelijk onbekende Groningse cabaretier, met Rudolf Stalknecht aan piano. Ik heb er een levenslange vriendschap met Seth aan overgehouden. Ik had mijn zoon gestrikt om met een sandwichbord door de stad te lopen. En zo is het geleidelijk verder gegaan. Pluimvee, vogels, konijnen, auto’s, grafstenen, snoepgoed. Je kan het zo gek niet opnoemen of we hebben ’t gehad.’

Het 700-jarig bestaan van Vlaardingen in 1973 bracht de revue Goeie maatjes. Van Ginneken produceerde dit ‘historisch spel op moderne leest’ en speelde de pontjesbaas. Hij kent nog het refrein. Zingt: ‘Ik deed ‘t voor 1 cent. In regen, storm en zon’. ‘Ja, mijn eerste klapper. Maakte me bekend. We hadden tien voorstellingen gepland. Het werden er twintig. Allemaal uitverkocht. Je kon aan de gang blijven. Ik ben in die tijd tien kilo afgevallen.’ Het jaar 1990 (45 jaar bevrijding) bracht de al even succesvolle revue Kantje boord.

Toon Hermans, Wim Kan, Wim Zonneveld: ze traden allemaal op in Vlaardingen. Herman van Veen zette er zijn eerste schreden op de bühne. Van Ginneken had hem ontmoet op een congres van schouwburgdirecteuren. Boekte hem bij zijn pianist Laurens van Rooyen voor 1250 gulden. ‘De zaal zat niet eens vol. Na de voorstelling heb ik gevraagd of hij over veertien dagen kon terugkomen. Had ik meer tijd om reclame te maken. Toen zat de zaal wel vol. Neerlands Hoop: gewéldige voorstelling. Kwamen een kwartier voor de voorstelling binnen. Hair: driemaal uitverkocht.’

Sommige voorstellingen leidden tot protesten. Bij Frans Halsema en Gerard Cox stonden de padvinders met spandoeken op de stoep. Het programma Tot hiertoe heeft de Heere ons geholpen van Robert Long en Lee Jongewaard: foute boel. Het Zuid-Afrikaanse gezelschap Ipi Tombi: idem.

Van Ginneken: ‘Dan ga je aan jezelf zitten twijfelen, maar het gemeentebestuur heeft me altijd in mijn waarde gelaten. Ik heb de grootste ellende gehad met de musical Gospel, waarin het bijbelverhaal naar nu was verplaatst. Had ik in Londen gezien en ik was bij de Nederlandse première geweest. Kwam een delegatie van de gemeenteraad met Rien Lensvelt op bezoek, die me bijna op hun knieën smeekte de voorstelling niet door te laten gaan. Ik vraag: hebben jullie hem dan gezien? Zij: nee, maar de dominee zegt dat er lasterlijke taal in uitgeslagen wordt. Nou, ik vond het een gewéldige voorstelling.’

Toen Jos Brink met Pierement zou optreden, kreeg Van Ginneken een telefoontje van een verontruste burgemeester Heusdens. ‘Ik hoor dat de koninklijke familie te kakken wordt gezet. Ik zet een paar rechercheurs in de zaal en het doek gaat gelijk dicht als dat gebeurt.’ De rechercheurs zaten in de zaal en kwamen in de pauze naar Van Ginneken toe: is het nou al geweest? Dat was inderdaad het geval; het was de rechercheurs niet eens opgevallen.

Het is allemaal verleden tijd. Een enkele keer komt Van Ginneken nog wel eens in de Stadsgehoorzaal. Hij vindt het gebouw opgeknapt na de laatste verbouwing onder Putman. ‘Ik vond hem vroeger een beetje sjofel, maar het armoedige is er nu vanaf.’ Toch is hij van mening dat Vlaardingen op theatergebied de slag heeft verloren. ‘Tenminste als je mee wil met de landelijke theatertrend. In Schiedam staat een prachtig theater.’

Liesbeth List kent hem nog. ‘Twee jaar geleden op mijn verjaardag ben ik naar haar voorstelling Edith Piaf geweest. Bloemetje gekocht. Ik loop aan het eind van de voorstelling het toneeltrapje op. Denk nog: maar misschien kent ze me helemaal niet meer. Het is zo lang geleden. Ik was echt bang niet herkend te worden. Maar, ze kwam direct naar me toe en riep: Goh, wat leuk dat jij komt.’

(Bron: Musis, een opinieblad ‘op het brede gebied van cultuur en samenleving’ in Schiedam en Vlaardingen, april 2002.)

  • Trackback are closed
  • Comments (0)
  1. No comments yet.