Monsieur Hulot doolt in Nieuwegein

Knoop het allemaal in je oren: ga nooit naar Nieuwegein, want zo’n uitstapje moet je bekopen met een levenslang trauma. Het kost je minstens een maand van je leven en talloze vruchteloze sessies met je psychiater. Ik kan het weten, want ik moest onlangs in Nieuwegein zijn bij het Instituut voor Bedrijfs- en vakopleidingen aan de Harmonielaan.
De routebeschrijving, die ik tevoren had ontvangen, zei: ‘Sneltram Nieuwegein – halte Zuilenstein.’ Dus naar Utrecht CS. De tram richting IJsselstein rolt voor. Zou die stoppen bij Zuilenstein? Geen routebordje te bekennen, dus gewacht tot de volgende tram richting Nieuwegein. In de tram hangen wel routebordjes; ik had inderdaad de vorige kunnen nemen. Zeven minuten voor niets gewacht.
De tram voert me langs troosteloze winkelcentra en troosteloze kantoorkolossen, waar troosteloze mannen in wit overhemd en troosteloze vrouwen in wit blousje op gifgroene schermen turen. Een elektronisch piepstemmetje roept de haltes om.
De halte Zuilenstein ligt in een soort niemandsland. De routebeschrijving zegt: ‘Tramrails over.’ Welke richting? Nergens een plattegrond te bekennen, nergens een behulpzame autochtoon. ‘Rechtdoor tot vluchtheuvel.’ Ik zie geen vluchtheuvel, alhoewel ik er inmiddels intens naar verlang. Dan maar de andere kant op.
Ik sjok door een Sahara van klinkers, asfalt, mislukte bomen en lege parkeerplaatsen naar een groot wit mausoleum met polaroid ruiten, waarachter geen leven te bekennen is. Home Trade Centre: dat lijkt me een logische plek voor het Instituut. De receptioniste, type directrice van een huwelijksbureau voor oudere vrouwen, weet niet waar de Harmonielaan is. Ze denkt aan de andere kant.
Mag ik even bellen? Dat mag. Ik zeg tegen mijn afspraak dat ik verdwaald ben, wat later kom en vraag om een betere routebeschrijving. ‘Zie je een bocht in de weg?’, probeert hij, maar hij kan mij niet echt helpen, want hij reist niet met het openbaar vervoer. Ik probeer de stemming erin te houden: ‘Als ik helemaal niet kom opduiken, vindt u mij op de afdeling gevonden voorwerpen van de politie.’ De man moet lachen.
Tegen de receptioniste mopper ik: ‘De architect die dit allemaal bedacht heeft, moet toch wel zwaar depressief zijn en een ongelooflijke hekel aan de mensheid hebben.’ Ze kijkt me meewarig aan en vraagt: ‘Hoe bedoel-u?’ Begrijpt ze me niet of geeft ze het dodelijk begripvolle standaard antwoord van een psychotherapeut? Ik mompel iets over onmenselijk, bedreigend, koel, aan de tekentafel kapot gedacht; ik zeg dat ik in een dorp woon en geef ten slotte de moed maar op om iets van begrip te ontmoeten.
Aan de andere kant van de rails kijk ik vanaf het voetpad tegen achterkanten van straatnaamborden aan. Over het gras naar de rijbaan. Symfonielaan (de Zesde van Beethoven wellicht?), Paukenlaan (o toeval, precies op dat moment begint een heimachine te slaan), Saxofoonlaan (o Dexter Gordon, mijmer ik), maar geen Harmonielaan te bekennen.
Inmiddels ben ik een half uur te laat voor mijn afspraak. Ik geef het op en neem de tram terug. ‘Niets buiten steken’ zegt een sticker op het raampje van de tram. Die raad komt op het juiste moment, want ik wilde net mijn hoofd een fors eind naar buiten steken. Een voorbij schietend reclamebord ‘Piet Kerkhof’ maakt het er ook al niet beter op.
Terug op school bel ik het Instituut. Ik word door de telefoniste op de wachtstand gezet met een Muzak-versie van April Love. Nu is de maat vol. Hoorn erop. Die meneer krijgt wel een briefje van me, waarin ik hem eens haarfijn zal uitleggen wat ik van zelfmoordsteden en -wijken als Nieuwegein (what’s in a name?) vind.
Op de terugweg naar huis, in de trein, blijkt dat ik ‘s ochtends het verkeerde kaartje heb afgestempeld. De conductrice brengt me de reis van een enkele reis plus boete in rekening; een bedrag dat ik normaal voor een retourtje kwijt ben. Jaja, de NS gaat ervoor, sinds de overheid de NS heeft verkwanseld.

  1. No comments yet.

  1. No trackbacks yet.