Tino Kuis (nieuw)

Paspoort van Tino Kuis:
Tino Kuis (70) woont sinds 1999 in Thailand. Na zijn opleiding tot arts in Groningen werkte hij drie jaar als tropenarts in Tanzania en daarna vijfentwintig jaar als huisarts in Vlaardingen. De laatste tien jaar daarvan verdeelde hij zijn tijd tussen het huisartsenwerk en de huisartsenopleiding aan de Erasmus Universiteit. Hij heeft in Nederland drie volwassen kinderen. Hij scheidde twee jaar geleden van zijn Thaise vrouw en woont nu met zijn zoon Anoerak (14) in Chiang Mai. Zijn interesse gaat uit naar de Thaise taal, cultuur en geschiedenis.

Over de pagina Tino Kuis (nieuw):
Op deze pagina staat Tino’s laatste verhaal. Zijn voorgaande verhalen zijn gebundeld op de sub-pagina Tino Kuis, te vinden in het rolmenu onder het vakje Thailand in de zwarte menubalk. Ook geplaatst als sub-pagina: De ziel van de Isaan; ‘We deden en doen het juiste’; ‘Een gevangenis is niet eng maar saai’; ‘Loyaliteit vereist verschil van inzicht’. 


 

Thudong monnik in bos
Monniken die feesten organiseren, zelf tempels bouwen, de rijstvelden ploegen en vechtsporten beoefenen. In de dorpen van het Noorden en Noordoosten maakten monniken deel uit van de gemeenschap. Tino Kuis schetst hoe dit dorpsboeddhisme in de vorige eeuw werd verdrongen door het huidige formele staatsboeddhisme.

Het schril contract tussen dorps- en staatsboeddhisme

Een monnik haalt herinneringen op aan Songkraan in de Isaan circa 1925:
Het deed er niet toe of de monniken of de novicen het eerst water gooiden op de vrouwen of dat de vrouwen het initiatief namen. Na het begin was alles toegestaan. De gewaden van de monniken en hen bezittingen in hun kuti’s waren drijfnat. De vrouwen renden de monniken achterna als ze zich terugtrokken. Soms kregen ze alleen hun gewaden te pakken.
Als ze een monnik grepen kon hij aan een paal van zijn kuti worden vastgebonden. Tijdens hun jacht verloren de vrouwen soms hun kleren. De monniken waren steeds de verliezers in dit spel of ze gaven op omdat de vrouwen hen in aantal overtroffen. De vrouwen speelden het spel om te winnen.
Als het spel achter de rug was, nam iemand de vrouwen mee met giften van bloemen en wierookstokjes om de monniken om vergeving te vragen. Zo is het altijd geweest.

Vanaf het begin van de vorige eeuw zonden de boeddhistische autoriteiten in Bangkok inspecteurs het land in om de praktijken van de monniken in de periferie van de zich ontwikkelende Thaise staat te beoordelen. Zij waren verbijsterd door het gedrag van monniken in het Noorden en Noordoosten.

Ze zagen monniken feesten organiseren, zelf tempels bouwen, de rijstvelden ploegen, meedoen aan roeiwedstrijden (tegen vrouwen nota bene), muziekinstrumenten bespelen en vechtsporten onderwijzen. Daarnaast waren de monniken (kruiden)dokters, raadgevers en leraren.

Dit boeddhisme had in de gebieden en de dorpen, waar de Thaise staat nog niet was doorgedrongen, een heel ander en geheel eigen karakter, verschillend voor ieder gebied en dorp. Uiteindelijk werd het dorpsboeddhisme verdrongen door de het huidige staatssysteem. Dat gebeurde in de jaren 1900 tot 1960 toen ook de staat zijn invloed over geheel Thailand ging opleggen.

De huidige praktijk van het boeddhisme, en met name dat van het monnikendom, de Sangha, in Thailand is het resultaat van regels vanuit Bangkok opgelegd aan de periferie. Dat leidde tot de uniforme en aan de staat gebonden boeddhistische gewoonten zoals wij die nu zien. Ik noem dat het staatsboeddhisme.

Enthousiast meelevend publiek
Hierboven lazen we al hoe monniken betrokken werden bij Songkraan. Een ander sterk voorbeeld betreft de prediking van de dhamma, de (boeddhistische) Leer. Dit gebeurde meestal door voorgaande geboorten van de Boeddha op dramatische wijze uit te beelden. Het meest populair was de voorlaatste geboorte van de Boeddha die vrijgevigheid moet voorstellen.

Witte olifantIn Centraal-Thais de Mahachaat (de Grote Geboorte) en in de Isaan Pha Wet genoemd, gaat het over een prins die alles weggeeft, een witte olifant aan een andere prins, zijn juwelen aan een bedelaar en later zelfs zijn vrouw en kinderen. Deze parabel werd opgevoerd met de monnik als acteur, begeleid door muziekinstrumenten en een enthousiast meelevend publiek.

Ook vrouwelijke nonnen, mae chie genaamd, maakten een wezenlijk onderdeel uit van de boeddhistische gemeenschap. Ze werden vaak evenveel gerespecteerd als hun mannelijke collega’s.

De inspecteurs vonden deze praktijken afstotend, laks en onboeddhistisch. Maar de dorpelingen zagen dat anders. Zij waren innig verbonden met de monniken. Er was sprake van een horizontale verhouding, de monnik was één met de dorpsbewoners. De dorpsbewoners zorgden voor de monniken en de monniken voor de dorpsbewoners. Er was in die situatie ook nog geen sprake van een autoriteit boven de dorpsmonnik. Deze vorm van boeddhisme is vrijwel geheel verdwenen. Dit volkse dorpsboeddhisme werd vervangen door het staatsboeddhisme van Bangkok.

Angst overweldigde mij, het zweet brak me uit
Binnen het dorpsboeddhisme speelden de thudong monniken een belangrijke rol. Thudong monniken zouden we kunnen omschrijven als zwerfmonniken. Het woord is afgeleid van het Pali woord dhuta ‘opgeven, verlaten’ en anga ‘geestesgesteldheid’. Zij waren een integraal en belangrijk onderdeel van het dorpsboeddhisme.

Buiten de drie maanden regenretraite, wanneer ze in tempels onderricht gaven, zwierven zij door de toen nog uitgestrekte bossen in het Noorden en Noordoosten van Thailand tot de in Shan-staten (nu in Birma) en Laos. Het doel was hun geest te trainen en om door meditatie hun geest te reinigen. Ze geloofden dat zij dan ontberingen, angsten, verleidingen en gevaren in alle gemoedsrust konden weerstaan.

Een tiental zwerfmonniken lieten geschriften na waarin zij hun ervaringen beschreven en die ook meer informatie geven over het dorpsboeddhisme. De bossen waren gevaarlijke plaatsen. Wilde beesten als tijgers, olifanten, luipaarden, beren en slangen waren er nog in overvloed en de monniken kwamen ze vaak tegen. Dit schrijft de monnik Chaup over zo’n ontmoeting (ze schreven over zichzelf meestal in de derde persoon, ik maak er een eerste persoon van):

Op het pad voor me stond een tijger zo groot als een olifant. Toen ik omkeek zag ik nog een tijger. Ze naderden mij langzaam en bleven op een paar meter van mij staan. Angst overweldigde mij, het zweet brak mij uit. Met moeite concentreerde ik mijn geest. Ik bleef doodstil staan en begon te mediteren. Ik zond mettaa karoena, loving-kindness, uit naar alle dieren in het bos. Na misschien een paar uur ontwaakte ik en zag dat de tijgers waren verdwenen.

Ziekten als ‘jungle fever’ (waarschijnlijk malaria) en diarree maar ook honger en dorst kwamen veel voor. Innerlijke gevaren waren soms even bedreigend. Velen werden overvallen door gevoelens van eenzaamheid. Een aantal beschreef hoe zij werden overvallen door seksuele lust. De monnik Cha schrijft:

Tijdens mijn aalmoezenronde was er een mooie vrouw die mij aankeek en haar sarong schikte zodat ik een ogenblik haar naakte onderlichaam kon zien. Overdag en in mijn dromen zag ik dagen en nachtenlang haar geslacht voor me. Het kostte mij tien dagen van intense meditatie voordat ik die beelden kwijt raakte.

Vagebonden en lakse monniken
In de jaren zestig en zeventig waren de meeste bossen gekapt, de zwerfmonniken waren oud tot zeer oud en verbleven permanent in een tempel. Nadat zij voordien waren uitgemaakt voor vagebonden en lakse monniken, ontdekten de stedelingen nu opeens deze monniken als heiligen. De koning zocht ze op in Phrao (Chiang Mai) en in Sakon Nakhorn (Isaan). Er werden veel geschriften aan hen gewijd, amuletten gingen voor veel geld over de toonbank en busladingen gelovigen reisden af naar het Noorden en Noordoosten.

Een oude zwerfmonnik verzuchtte in die tijd:
‘Ze kijken naar ons als naar een stel apen. Misschien gooien ze nog eens een banaan naar me als ik honger heb.’

Luang Pu WaenEen andere merkte over deze bezoekers op:
‘Ze willen niet echt luisteren naar de Dhamma, de Leer. Ze willen verdienste verwerven maar willen er hun ondeugden niet voor opgeven en er niets voor over hebben. Ze denken dat ze verdienste met geld kunnen kopen zonder enige inspanning.’

En Luang Pu Waen (foto) in Phrao weigerde amuletten te zegenen:
‘Heilige amuletten zijn niets waard. Alleen de Dhamma, de Leer, is heilig. Beoefen die, dat is genoeg.’

Van dorpsboeddhisme naar staatsboeddhisme
De Thais zijn er erg trots op dat ze nooit zijn gekoloniseerd. Daarbij moet wel worden aangetekend dat sommigen de periode na 1850 en na 1950 als semi-koloniaal omschrijven toen eerst de Britten en daarna de Amerikanen een zeer grote invloed hadden op de Thaise politiek.

Maar van veel groter belang is de vaststelling dat grote delen van Thailand gebukt gingen onder interne kolonisatie. Ik bedoel daarmee dat een kleine groep meest royalistische bestuurders uit Bangkok hun wil en hun normen en waarden oplegden aan de uitgebreide periferie van de zich ontwikkelende Thaise staat op een manier die veel verder ging dan de kolonisatie van de westerse mogendheden.

Deze gekoloniseerde gebieden lagen in het Noorden en Noordoosten. Ambtenaren, en in hun kielzog soldaten, politie en onderwijzers, werden in de periode 1900 tot 1960 naar de periferie gezonden en namen de bestuurstaken over van plaatselijke edelen en heersers. Dat gebeurde niet geheel zonder tegenstand: een aantal opstanden zowel in het Noorden als in het Noordoosten in het begin van de 20e eeuw laat dat zien.

Hetzelfde gebeurde met het boeddhisme. In die periode werden de dorpsmonniken geleidelijk vervangen door staatsmonniken. Alleen monniken uit Bangkok kregen het recht andere monniken in te wijden. Meditatie en de thudong praktijk werd ingeruild voor studie van de boeddhistische Pali-geschriften en de vinaya, de 227 regels tellende discipline van de monniken.

De vinaya moest dagelijks worden opgezegd in de tempel en streng worden nageleefd. Een perfecte uitvoering van regels en rituelen werd gesteld boven de hoogste wet, de Dhamma, wat mededogen en meettaa karoena, loving-kindnes, inhoudt. Een paar regels uit de vinaya:

  • Onderwijs niet meer dan zes opeenvolgende woorden uit de Dhamma aan een vrouw.
  • Onderwijs een bhikkhuni (volwaardige vrouwelijke monnik) niet na middernacht.
  • Lach niet luidkeels in bewoonde gebieden.
  • Praat niet met volle mond.
  • Raak een vrouw niet aan.
  • Onderwijs de Dhamma niet aan iemand die staat, hoger zit of ligt, een tulban draagt of zich in een voertuig bevindt (behalve in geval van ziekte).

Wat Borom Niwat

Dorpsmonniken en thudong monniken waren vaak onbekend met al deze regels of hadden geen zin ze toe te passen. In 1941 ondervroeg men de bekende thudong monnik Man daarover eens in de tempel Boromniwat (foto) in Bangkok:

Ik heb gehoord dat u slechts één regel volgt en niet de 227 voorschriften. Is dat waar?’, vroeg een monnik.
‘Ja, ik volg slechts één regel en dat is mijn gezonde verstand’, antwoordde Man.
‘Wat met de 227 regels?’
‘Ik bewaak mijn geest zodat ik niet denk, spreek en handel in overtreding met wat de Boeddha ons leert. Het doet er niet toe of de discipline bestaat uit 227 regels of meer. Mindfulness (bedachtzaamheid) voorkomt dat ik tegen de regels zondig. Iedereen heeft recht op de mening dat ik tegen de 227 voorschriften zondig.’

Een andere thudong monnik, Bua, beschrijft een ceremonie:
‘De thudong monniken waren klungelig. Zij hielden de heilige draad in de verkeerde hand en de ceremoniële waaiers met de verkeerde kant gedraaid naar het publiek. Het publiek en de andere monniken waren in verlegenheid gebracht maar dat stoorde de thudong monniken niet. Zij bleven gelijkmoedig.’

Hier zien we dus het grote contract met het staatsboeddhisme dat de nadruk vooral legt op een perfecte naleving van de regels alleen. Het staatsboeddhisme bevestigde voortdurend de grotere status van monniken ten opzichte van leken. Die status ontleenden monniken nu niet meer aan de instemming van en de samenwerking met hun dorpsgenoten maar aan Pali-examens en aan titels en eerbewijzen, door Bangkok toe bedeeld.

Een strenge hiërarchie werd ingevoerd, al het gezag kwam van de Sangha Raad uit Bangkok, een raad bestaande uit oude tot zeer oude mannen, door de staat benoemd. De staat en het monnikendom werden innig verstrengeld. Monniken werden op een onaantastbaar voetstuk gezet en los gemaakt van de gelovigen. Vorm werd belangrijker dan inhoud.

Dat is de boeddhistische praktijk die we nu zien, ten onrechte het traditionele boeddhisme genoemd, en het staat in schril contrast met het dorpsboeddhisme. (18 augustus 2015)

Voornaamste bron:
Kamala Tiyavanich, Forrest Recollections. Wandering Monks in Twentieth-Century Thailand, Silkworm Books, 199.

  • Trackback are closed
  • Comments (0)
  1. No comments yet.