Kort & Krachtig

Kort & Krachtig is een rubriek met verhalen tussen tafellaken en servet. Het motto van de rubriek is: Wie verre reizen doet, kan veel verhalen. De auteurs passeren de landsgrenzen van Thailand en berichten over andere landen. Maak ze komen altijd terug. Omdat ze er wonen, omdat hun partner er vandaan komt of omdat ze er graag op vakantie vertoeven. Verhalen zijn welkom. Maximum lengte circa 555 woorden.

Inhoudsopgave
Descartes in Kyoto. André van Leijen
Op zoek naar de komodovaraan. Erik Kuijpers
Hitte & Heimwee, Hans Geleijnse
До свида́ния, Hans Geleijnse
Bye bye, won’t see you again, Hans Geleijnse
Engelse lesjes, Hans Geleijnse
Heg, Hans Geleijnse
Salisbury Cathedral, Chris Ebbe
Soepkip, Hans Geleijnse
Welkom in Italië, lieve blanke, Hans Geleijnse
Over een schopstoel en een teil, Paul Bremer
Krakende takken en getetter, Paul Bremer
‘My Beautiful Laundrette’, Paul Bremer
Panga’s en de Pangawallah, Paul Bremer
USSR in 1987, Erik Kuijpers
Maffia en dikke tieten, Gerrie Agterhuis
Kochi, de VOC en een ‘Dutch Cementry’, Paul Bremer
‘Nur mit Lümmeltüte..’, Erik Kuijpers
Een idyllische middag, Bert van Balen
‘Belanda, wel kijken, niet kopen’, Erik Kuijpers
New York, 1979, Bert van Balen
Scheermes obsessie, Hans Geleijnse
Het recht op zoenen, Paul Bremer
Riksja’s, auto’s en cars, Paul Bremer
Een knap stukje werk, René van Broekhuizen
Knoflookeffect, Hans Geleijnse
Was ik maar de Paus, André van Leijen

 

Maiko dans

Descartes in Kyoto

Hotel Hokke Club Kyoto ligt recht tegenover het treinstation van Kyoto. Zodra ik mijn voet op de eerste trede zet van de roltrap begint hij te lopen. Mijn vrouw en ik glijden langzaam omhoog. De balie komt in zicht. Daarachter drie receptionisten. Ongeveer twee meter uit elkaar. Een jonge vrouw in het midden. Mantelpakje. Links van haar een kalende man. Herenkostuum met streepje. Rechts een jongeman. Ook herenkostuum met streepje.

Alle drie hebben ze een stropdas. Alledrie lachen ze naar ons. Drie mensen die zomaar naar ons  lachen. Een supernormale prikkel. Zoals mannetjeskikkers in koren zingen om de vrouwtjes te verleiden. We zijn zeer gewaardeerde gasten, helemaal uit Europa.

Ik lach terug. Het drietal slaat de ogen neer en maakt gelijktijdig een buiging. Ik schat minimaal 21 graden. Dat is van belang, dat aantal graden. Elke situatie vraagt om een andere buigingshoek. Hoe groter de hoek, hoe meer respect. Voor een monnik dien je maar liefst 90 graden te buigen. Grotere hoeken gaan de fysieke mogelijkheden van het menselijk lichaam te boven of het moeten acrobaten zijn.

Ik geef een hoofdknikje terug. Het komt vanuit de nekspieren, niet vanuit de rugspieren. Er wordt weer gelachen. Ik vraag om de sleutel van onze kamer.

‘Welk nummer?’
‘Kamer 612.’
‘Wat was uw naam ook al weer?’
Ik noem mijn naam.
Er wordt gekoekeloerd op een scherm.
‘Ah, mister André.’
Ik krijg de sleutel. Er wordt gebogen. Gelachen. En nog eens gebogen. 21 graden. Zeker 21 graden.

De riedel herhaalt zich een paar keer per dag: lachen-buigen-sleutelvragen-naamvragen-koekeloeren-‘Ah mister André’-sleutelgeven-buigen-lachen-buigen. Het ritueel wordt in werking gezet, zodra ik mijn voet op de eerste trede van de roltrap zet. En het houdt pas op, als we verdwenen zijn achter de liftdeuren.

Een ritueel. Net als die verkeersagent, die ‘s morgens geposteerd wordt op een kruispunt hier vlakbij bij het Kyotostation. Die vervolgens de witgehandschoende handen  horizontaal uitspreidt ten teken dat de auto’s moeten wachten en de voetgangers over mogen steken. Of er nu verkeer is of niet. Die na twee minuten 90 graden draait, zodat de voetgangers moeten wachten en de auto’s kunnen doorrijden. Die twee minuten later weer terugdraait. Enzovoort. Het gaat de hele dag zo door. Tot hij aan het eind van de dag wordt opgehaald.

DescartesHet menselijk handelen gereduceerd tot een vaststaande opeenvolging van dezelfde voorgeschreven gedragselementen. Het kan in Japan. Menselijke automaten zijn het. De ‘automata’ van René Descartes, die meende, dat organismen door God in elkaar geknutselde machientjes waren.

Japanners koesteren nu eenmaal hun rituelen. Hun begroetingsrituelen, hun verkeersrituelen, maar ook hun theeceremonieën, hun geisha’s, hun  maikodansen. Hun memen zullen sommige biologen zeggen. Misschien omdat de mensen bepaalde handelingen eindeloos herhaald willen zien, eenvoudigweg omdat ze zo ontzettend mooi zijn. Zoals er destijds ook mensen waren, die honderden keren ‘Westside Story’ gingen zien.

Speelgoedbeestjes die je met een sleutel moet opdraaien
Het Kaburen-jō theater is dé plek waar Japanners zich al ruim 140 jaar laven aan hun rituelen. Het staat in de Ponto-chō wijk. Het gebouw kraakt van ouderdom. Sinds 1872 worden hier elk jaar in mei de Kamogawa Odori gehouden, de Kamo Rivier Dansen. We dalen af in de krochten van de Japanse geschiedenis.

De zaal zit vol Japanners. Op het toneel dansen maiko’s in kleurrijke kimono’s. Danspassen tot in het oneindige vertraagd als bij t’ai chi, zodat het tenslotte alleen nog maar gaat om bewegingen van de ogen. Elke stand van de hand, elke knik van het hoofd, elke draai van de ogen is voorgeschreven en heeft een eigen betekenis. Speelgoedbeestjes die je met een sleutel moet opdraaien. Automata van Descartes.

Op het zijtoneel zit een vrouwenorkest. De keelgeluiden van een oude vrouw worden afgewisseld met het gesjilp van jonge maiko’s. Pas geboren kraanvogels in hun nest. Het is tenslotte lente. Vlijmscherpe tokkels op de driesnarige shamisens kaatsen terug tegen honderden Japanse oren. Drie vrouwen bespelen de ko-tsuzumi, een kleine trommel, die ze in een gelijktijdige beweging op hun schouder zetten en die ze met één hand bespelen en die daarna weer gelijktijdig worden neergezet.

Daarnaast zit een vrouw die een grotere trommel bespeelt, die op de grond staat, een taiko. Net als de andere vrouwen zit ze kaars rechtop en kijkt strak voor zich uit. Ze heeft twee bachi in haar handen, tussen de wijsvinger en de duim. Stokken zo dik als honkbalknuppels. De handpalmen zijn naar beneden gekeerd. De armen zijn gestrekt. Ze bewegen vanuit de schouder. Mechanische  bewegingen als van de poppen van een draaiorgel.

JaponismeGeconcentreerde schoonheid
Alles, elke beweging, elke toon, wordt teruggebracht tot zijn essentie. Net zo lang ingekookt tot alle vluchtige bestanddelen van het leven zijn verdwenen.  Zoals bij de Japanse ukiyoes (blokdrukafbeeldingen) de wereld is gereduceerd tot twee dimensies. Wat overblijft is schoonheid.

Geconcentreerde schoonheid. Dezelfde schoonheid, die de Franse impressionisten heeft geïnspireerd. Die leidde tot het japonisme van van Gogh, Toulouse l’Autrec, Gauguin en Klimt. Schoonheid, die de wereld reduceert en die de mens tot een machine maakt.

In 1950 stak een monnik de zen-boeddhistische Kinkaku-ji tempel in brand, omdat de schoonheid ervan hem verstikte. Hem belemmerde om mens te zijn. Daarna pleegde hij seppuku, maar dat mislukte. Yukio Mishima beschrijft het in zijn ‘Het Gouden paviljoen’. Bloedmooi. Hem lukte het wel om de punt van zijn  zwaard even boven zijn navel neer te zetten en door te stoten.

Terwijl de Japanse mens gemachineerd wordt, worden hun machines steeds meer vermenselijkt. Japanners houden van denkende machines. Machines die rituelen uitvoeren. Zelfs een doortrektoilet, een model dat al twee eeuwen naar tevredenheid functioneert,  is uitgegroeid tot een gecompliceerde machine.

Koningin Elizabeth I weigerde gebruik te maken van een doortrektoilet
De high tech toiletmachine. We hebben er een in onze hotelkamer. Er hangt een uitgebreide gebruiksaanwijzing bij. Hoe je de gevoelstemperatuur van de bril kunt bijstellen, hoe je kunt kiezen voor een frontaal fonteintje  of een anaal fonteintje, hoe je de temperatuur  van het fonteintje kunt bijstellen, hoe je de kracht van het fonteintje kunt regelen (van strelend zacht tot klysmatisch), een knop voor een aangenaam geurtje…

Ja, er is zelfs een knop waarmee je het geluidsvolume van het doortrekken kunt regelen. We moeten daar niet te licht over denken. Wie herinnert zich niet koningin Elizabeth I, die weigerde gebruik te maken van een doortrektoilet, omdat hij te veel lawaai maakte?

Gebruiksaanwijzingen in het Japans, Chinees, Engels en in braille. Bepaald geen sinecure zo’n toilet.

Ik hoor een gil. Mijn vrouw.
‘Wat is er?’
Mijn vrouw is in paniek. Ze weet niet hoe ze het fonteintje uit moet zetten. En ze durft ook niet op te staan, omdat anders het hele toilet ondergespoten wordt.
‘Ik bel de receptie’, roep ik.
‘Nee, nee, nee!’
‘Gebruik dan de noodknop!’

Mens en machine gaan steeds meer op elkaar lijken in Japan. Vandaag las ik in de ‘Tokyo Times’, dat een groot bedrijf in Tokyo zijn receptioniste vervangen heeft door een robot. Er staat een foto bij van de robot. Een jonge vrouw in een mantelpakje. Ineens bekijk ik de drie achter de balie in Hotel Hokke Club Kyoto met andere ogen. Ze lachen naar me. Hoe weet ik of het geen robots zijn?

Mens of machine?
Alan Turing stelde in 1950 een test op, waarmee je kon nagaan of je te doen had met een mens of een machine. Je moet de juiste vragen stellen.

‘Als ik nu aan ze vraag “Waarom?”’, zeg ik tegen mijn vrouw.
‘Hoezo?’
‘Als ze beginnen te roken, dan zijn het machines.’
Mijn vrouw vindt het geen goed idee.
‘Misschien beginnen Japanners ook te roken, als je vraagt “waarom?”’

Het drietal slaat de ogen neer en buigt. Automata van Descartes.
Ik buig terug. Vanuit de nek. (23 mei 2015)

 


 

komodovaraan

Erik Kuijpers bezocht in 1993 de Nusa Tenggara, een eilandengroep tussen  Sumbawa en Flores. Op het eiland Komodo, de habitat van de komodovaraan, ging hij op zoek naar dit niet ongevaarlijke reptiel. Hij bracht er het levend vanaf – dankzij vier begeleidende rangers.

Op zoek naar de komodovaraan

Wij gaan per boot naar het eiland; eten en slapen op het dek. Er wordt op twee dagen per week gevoederd ten behoeve van de toeristen. Je bent in dat land vroeg wakker en we treffen een andere groep buitenlanders aan op het strand.

Een korte toelichting van de parkwachters. Blijf bij de groep, ga niet in je eentje het eiland op want, ach dat verhaal ken je, van de vorige meneer die dat deed vonden we alleen zijn horloge terug….. En dan op pad.

De vier rangers hebben flinke stokken bij zich en lopen voor en achter de groep. Na een paar honderd meter zien we de eerste varanen die afkomen op het geluid van een meegesleept geitje.

(En daarom, heb ik begrepen, is aan deze activiteit een einde gemaakt vanwege de geitjes en vanwege het feit dat je een wild dier niet moet afleren hoe een prooi te vangen.)

We worden naar een kraal gebracht. Inmiddels zijn er twintig of meer varanen op ons afgekomen want ze weten dat er gevoederd wordt. Vertel een dier wat!

Het dode geitje wordt tussen de beesten geworpen en even later is het weg. Met huid en hoeven en al. Wij mogen foto’s maken en moeten onder begeleiding terug naar het zwaar omheinde dorp voor koffie en maaltijd.

Dat is Komodo. Het volgende eiland is Flores en ook daar komt de komodovaraan voor, op het westelijke puntje. Want de komodo is niet alleen een veelvraat maar ook een uitstekende zwemmer. (13 mei 2015)

Literatuur
Nicole Viloteau, les dragons de Komodo, uitgerij Arthaud (Nilssen & Lamm, Weesp).

Website
http://fr.wikipedia.org/wiki/Nicole_Viloteau

Een beangstigende reportage
https://www.youtube.com/watch?v=gcTg9mt4eAk

Wat is een komodovaraan?
Een varaan is een reptiel. Net zoals de krokodil en het muurhagedisje reptielen zijn. De komodovaraan is een exemplaar dat alleen voorkomt in genoemde regio. Maar er zijn heel veel soorten varanen zoals deze site laat zien: http://nl.wikipedia.org/wiki/Lijst_van_varanen

De komodo is bekend vanaf 1912 toen iemand met zijn vliegtuig neerstortte en zich maandenlang tussen die dieren in leven moest zien te houden. Eenmaal thuis werd hij gek verklaard. Draken? Die bestaan niet.

De Nederlandse overheid heeft eveneens in 1912 de varaan ontdekt en daarna lag het dier al snel in de grote dierentuinen.

Het dier wordt gemakkelijk 3 meter lang en is een vleeseter. Levende en dode dieren maar van een mens is ie ook niet vies. Kleren en botten, alles gaat naar binnen bij deze schrokop.

 


 

Platte aarde

Hitte & Heimwee

Het is heet in Thailand. Dat is nog eens een opzienbarende binnenkomer. Vorig jaar om deze tijd was het namelijk ook al erg heet. En daaraan voorafgaande jaren eveneens.

Ik ben op de lagere school al voor die hitte gewaarschuwd. Door een meester met grote expressieve talenten. Hij hield een plastic bal voor zijn neus en zei: ‘Dit is de aarde. Mijn hoofd is de zon.’ Dan cirkelde hij de bal op liphoogte voor de zon op en kuste die bij elke voltooide draai precies in het midden. Vervolgens herhaalde hij die draai, maar liet daarbij de bal op zijn vinger tollen.

Diep onder de indruk begrepen wij dat de aarde niet alleen om de zon draaide, maar ook om zijn as. De tollende bal kwam liet hij vervolgens een paar keer tot stilstand tegen zijn getuite lippen. ‘De middellijn van de bal noemen we de evenaar. Op die lijn kust de zon heel vluchtig de om haar heen draaiende aarde. Daarom is het op die plekken altijd heel erg warm. We noemen dat de tropen.’

De helft van de klas elfjarigen genoot muisstil van deze voorstelling, hoogstwaarschijnlijk gevangen in eigen pre-puberale fantasieën. De rest lag in een deuk. Meester was namelijk niet moeders mooiste. De zon ging door het dagelijks leven met twee jampotglazen, van het soort dat schoenveters in rook deed opgaan als je ze als zonnebrandpunt inzette.

De aarde draait om de zon
Dankzij deze meester van een Haagsche school met den bijbel heb ik nooit meer vergeten dat de aarde om de zon draait. Zelfs moslimdocent prof. dr. Bandar-al-Khaibari uit de Verenigde Arabische Emiraten slaagt er niet in me van het tegendeel te overtuigen. Iemand die zich door een bijziende calvinist heeft laten indoctrineren weet dat de zon gewoonweg niet om de aarde kán draaien.

Ho ho, niet meteen Khaibari islamitisch geïnspireerde domheid toedichten. Een recent Europees onderzoek naar het kennisniveau binnen onze knusse Unie wees uit dat 29 procent van de Europeanen de facto Bandarist is, heilig gelooft dat de zon om de aarde tolt. Nog eens vier procent geeft ruiterlijk toe geen idee te hebben. Het zou me totaal niet verbazen als een van deze niksweters op het enquête-formulier heeft geschreven: kan mij het schelen wat om wat draait, zolang ik maar niet misselijk word!

marinewestheimweeDe jampotzon maakte zijn rentree in mijn leven toen ik van Thailand uit gezien aan de andere kant van de aarde op ongeveer gelijke hetegraad belandde. Nog erger was dat ik daar verbleef in Hare Majesteits uniform.

Ik moest me geregeld in witte lange broek met wit baadje (zo’n rompovertrek met lange mouwen en door een blauwwit borstlapje zedig bedekt decolleté) moest steken.

En altijd die rottige pet op je kop. Dezelfde als de zwarte in Europa, maar in een zomerwit tropenhoesje gewrongen.

Van de weeromstuit, of beter, als het me allemaal te veel werd, sloeg ik aan het dichten. Helaas zijn deze vroegtijdige literaire hoogstandjes niet voor het nageslacht bewaard gebleven. Maar ik herinner me nog een poëtisch kunstwerk waarin elke eerste regel van een lange reeks coupletten begon met ‘Ik zou zo graag van zweet een sneeuwbal willen maken’.

Hitte en heimwee (want dat was het natuurlijk), een triestere combinatie is er eigenlijk niet. Is dat wel helemaal waar? Ruim een halve eeuw later vrijwillig in de tropen. Dus Thais heet. Geen mus die het in z’n hoofd haalt op een dak te gaan zitten. Ik hoor en lees ze klagen, de farang. ‘Slopend.’ ‘Binnen blijven met de airco vol aan.’ ‘Mij niet gezien dat gezweet, ik overzomer in Nederland.’

Heimwee? Dat niet. Ik houd het op hitte en gezeur van oudere farang, een dodelijke combinatie. Er is gelukkig een naam voor: tropenkolder. (11 mei 2015)

Foto: Ergens in het Caribisch gebied. De jonge Geleijnse (rechts) op een ‘gezellig’ dansfestijn. Let op de weemoedige blik van de jonge dichter, aan wie Rilke zou adviseren: Besteed niet te veel aandacht aan de mening van anderen, leer jezelf comfortabel te voelen in eenzaamheid, verspil geen energie aan onbelangrijke dingen. (Brieven aan een jonge dichter, Rainer Maria Rilke)


 

Moskou

De ondergang van de Sovjet-Unie, bezoeken aan voorheen voor buitenlanders verboden streken, ondergedompeld in oorlogsgeweld maar ook in de Russische gastvrijheid. Als Hans Geleijnse na vijf bewogen en onvergetelijke jaren Rusland vaarwel zegt, vloeien de tranen.

До свида́ния*

Bij het inkopen doen voor het allerlaatste feestje slaat het sentiment daverend toe. Ik bevind me op de Optovoj Rynok, letterlijk  groothandelsmarkt. Een consumptiewalhalla van enkele duizenden vierkante meters in de open lucht, waar dus alles per doos, krat of vat wordt verkocht.

De handelaren prijzen hun waar aan vanuit kiosken, vrachtwagens en autobussen, die ter weerszijden van een smal stuk geasfalteerde weg staan opgesteld. Daarover wringen zich massa’s koopbeluste klanten, zwaarbeladen personen- en vrachtwagens, en niet te vergeten de particuliere ordedienst, direct te herkennen aan het hoogst populaire camouflagepak en de zwaaiende gummiknuppel.

Schreeuwende mensen, een dikke walm uitlaatgassen, claxonnerende auto’s die elkaar de weg versperren, kortom een levendige chaos. De feestvreugde wordt nog verhoogd door buien natte sneeuw en de blubberige kaalslag die je moet doorploegen om op of van dit met hoge ijzeren hekken omringde kapitalistische eilandje te komen.

Vijf jaar geleden, toen ik in Moskou arriveerde, waren markten als deze ondenkbaar. Gorbatsjovs perestrojka had de keten van staatswinkels en staatsgrossiers nog niet weten te breken. Nu barst het op deze markt van de kleine zelfstandigen, die hier tegen naar Nederlandse verhouding dumpprijzen onder meer bier, wodka, champagne, chocola, kauwgum, condooms, ingeblikte worst, sigaretten, waspoeder en niet te vergeten Mars en Snickers komen inslaan.

Veel jongens in leren jasjes en dames in bont die elders in de stad een kiosk hebben gepacht of gekocht, waar ze fortuin proberen te maken door hun inkoopprijzen met zo’n honderd tot tweehonderd procent te verhogen. De vooruitgang is onstuitbaar.

 

Bij een afscheid met tranen
Yuri Yulianovich Shevchuk (1951) verwierf in 1980 faam in de underground popscene van toen nog Leningrad. Shevchuk, voormalig leraar kunstgeschiedenis, werd met zijn band DDT gedurende de perestrojka-periode een popicoon tegen wil en dank. Hij geldt als een van de beste songwriters van Rusland, zijn teksten zijn doorspekt met – soms cynische – humor en verzet tegen de ‘nachelniki’, de bazen, synoniem voor de heersende macht sinds het tijdperk van de tsaren. Zijn teksten krijgen extra kracht door de soms rauwe stem van de leadsinger van DDT.

Shevchuk is niet alleen door zijn muziek wereldberoemd in Rusland. Omdat hij nooit een blad voor de mond nam werd hij gehaat door het postcommunistische establishment, van Yeltsin tot Poetin.  Hij organiseerde vredesconcerten tegen de oorlog in Tsjetsjenië en bekritiseerde  Putin fel. Befaamd werd zijn aanvaring met de Russische neo-dictator, tijdens een tv-ontbijtshow waarin Poetin had moeten gloriëren. Shevchuk las hem de les over diens onderdrukking van (culturele) vrijheid.

Eén van DDT’s grootste hits is Rodina (moederland), dat de liefde tegen wil en dank voor het ‘lelijke’ Rusland bezingt. Ik vermoed dat iedere Rus de tekst kent. Er zijn vele DDT-versies van, bovenstaande vind ik mede door het intro één van de beste.
Klik hier voor de tekst.

Aanval van sentiment
Waarom dan die aanval van sentiment? Omdat ik me ook realiseer dat markten als deze volledig ondenkbaar zijn in Nederland. Of in Engeland, waar ik de komende jaren over mag schrijven. Dat ik daar voortaan met boodschappenkarretjes langs geordende schappen moet, waar de vastgestelde prijzen en het btw-bedrag keurig worden vermeld.

Hier is van belastingheffing geen sprake, de op stukken karton neergekalkte prijzen worden vanwege de waardedaling van de roebel per dag veranderd (slechts de eveneens vermelde dollarprijs blijft ongewijzigd), over de prijs van een kratje bier kun je langdurig onderhandelen met de ogenschijnlijk ongeïnteresseerde verkoper. Daarna wacht het onvermijdelijk gesjouw door de blubberzooi naar de auto, die uiteraard van alle kanten ingesloten is door het blik van andere kooplustigen.

Deze markt toont het spiegelbeeld van het nieuwe Rusland. Het onvermogen of misschien wel de onwil tot organisatie, omdat het met chaos ook blijkt te lukken. De koopwaar die voor 90 procent afkomstig is uit het (westerse) buitenland, want Rusland handelt wel, maar produceert nauwelijks eigen eindprodukten. Tweederde van de groothandelaren op deze markt is niet-Russisch, maar komt uit de Kaukasus. Die zwarte maffiosi, zeggen de Russen dan met hun ingekankerde racisme, maar het zijn wel de jongens die weten waar Abraham goedkoop de mosterd haalt.

Jullie zijn volwassen, wij zijn nog kinderen
Leve het overgangstijdperk, want het zal nog zeer lang duren voor Rusland zich een plaatsje heeft verworven onder de landen van de, zoals de Russen het zelf noemen, ‘beschaafde wereld’. Jullie zijn volwassen, wij nog kinderen, zegt m’n vriendin Vika tegen me op het afscheidsfeest. Ze bedoelt dat Russen net als kinderen die vaak onbegrijpelijke combinatie hebben van lief en wreed, naïef en doortrapt, spontaan en introvert, gehoorzaam en losbandig. Kortom, de bestanddelen van de Russische ziel, waarmee het onverklaarbare altijd kan worden verklaard.

‘Daarom is het onmogelijk niet van jullie te houden’, antwoord ik. Even later stromen, vanwege het komende afscheid, de tranen over onze wangen. ‘Komt door de wodka’, fluister ik. Zij: ‘Je bent een halve Rus geworden, niet slecht voor een buitenlander.’ (7 mei 2015)

* do svidanya – tot ziens


 

Hij begon in 1995 met goede moed aan zijn correspondentschap Londen. Na ruim drie jaar journalistiek bikkelen plakt Hans Geleijnse op een verhuisdoos het etiket ‘Gevoelens van Opluchting’.

Bye bye, won’t see you again

Nog een paar nachtjes slapen en de verhuiswagen arriveert. De eerste doos die de verhuizers mogen inladen is een hele grote met het opschrift ‘Gevoelens van Opluchting’. Weegt niks, maar toch van bodem tot deksel gevuld. Ik heb hier drie jaar lang letterlijk en figuurlijk op een eiland geleefd zonder het gevoel omringd te zijn door mensen van vlees en bloed.

Dat ligt natuurlijk niet aan de Engelsen. Ik ben ervan overtuigd geraakt dat mijn sociale vaardigheden ver onder de Engelse maat bleven. Er moet iets in mijn ‘attitude’ zijn dat een meer dan Kanaalbrede kloof met ‘them’ opleverde. Toch had ik mijn best gedaan. Inlezen natuurlijk. Queens English uit de lippen persen. Liefst zeven maatkostuums aangeschaft om niet uit de toon te vallen. Geregeld met de picknick-mand naar parken getogen om daar onopvallend tussen de Britse bleekscheten te genieten van een openlucht concert of soms zelfs zo de zon.

Ik reed behoorlijk goed aan de verkeerde kant, frequenteerde de buurtpub, groette mijn buren altijd zeer vriendelijk en zei net als de ‘real things’ om de haverklap dat ik ‘very, very sorry’ over iets was, ook al was er geen enkele aanleiding om dat oprecht te menen. Of ik jubelde obligate nietszeggers als fantastic, excellent, great, I’m delighted, om iets of iemand de hemel in te prijzen.

Maar niets hielp. Ik leef in een land vol sorry-robotten, klaagde ik soms tegen m’n kroegmaat Ian, rechercheur bij Scotland Yard, en een man die bij wijze van uitzondering een helder verstand paart aan stijf rechtse politieke opvattingen. Ian begreep dat best, want hij is een Schot.

Zijn advies was om zeker Londen, maar ook Engeland te ontvluchten naar plaatsen waar het echt leuk is om te zijn. Schotland natuurlijk, maar Wales en het Ierse eiland konden ook. Ian had gelijk. In termen van menselijke warmte, oprechte vriendelijkheid en niet geveinsde belangstelling bewaar ik de beste herinneringen aan bezoeken aan die streken.

Ik ken foreign loonies, onder wie Nederlanders, die Engeland zijn gaan haten vanwege het eeuwige opscheppen over Britishness, ‘best in the world’, de superioriteit waarmee niet-Engelsen worden benaderd, de afstandelijkheid en arrogantie. Anderen lopen helemaal weg met Engelse tradities, de excentriekelingen, de humor of de kunst en literatuur.

Negatief en positief, zowel de admirers als de haters hebben ergens gelijk. Ik moet na drie jaar zwoegen helaas vaststellen dat ik Engeland kan haten noch liefhebben. Dat is voor een journalist dodelijk. Je kunt niet alleen drijven op (beroeps)discipline, werklust en aangeboren nieuwsgierigheid bij het schrijven over interessante gebeurtenissen of mensen. Dan missen je verhalen ‘soul’.

Er waren natuurlijk oprispingen van ‘irritation’ and ‘joy’ die me richting soulstories dreven. Tony Blair bijvoorbeeld. Bij gebrek aan concurrenten op het wereldtoneel de meest overschatte politicus van de 20ste eeuw. Als vernieuwer niet meer dan een kloon van Neerlands Wim Kok.

Engeland was daarentegen soms een paradijs. Tijdens opnamen van ‘Later with Jools Holland’ ontmoette ik de populaire tv-presentator, net als ik een muzikale alleseter. Er was meteen een klik. Jools, begenadigd popmusicus en kenner van vele muzieksoorten, bleek een aardig, bescheiden mens, toegankelijk, wars van sterallures. Een broodnodig moment of joy dus, dat hielp mijn balans niet naar irritatie te laten uitslaan.

Mijn aankomst in Londen viel samen met het laatste publieke optreden van Margaret Welch, beter bekend als (Dame) Vera Lynn. Op VE-day, de Britse bevrijdingsdag, zong zij haar ‘We’ll meet again’, een lied dat miljoenen in de Tweede Wereldoorlog hoop en troost gaf. Dat is óók Engeland, momenten van diepe emotie: We’ll meet again, Don’t know where, Don’t know when, But I know we’ll meet again some sunny day.

Ook deze in de hongerwinter geboren jongen was geroerd. Maar voor hem wordt het geen sunny day in the UK. (4 mei 2015)


 

Engels ontbijt

Twintig jaar geleden zocht Hans Geleijnse zijn plaats in het perfide Albion. Een tijdsbeeld.

Engelse lesjes

Ze staat wijdbeens en een ietsje gebukt tussen twee geparkeerde auto’s op Hanover Square, hartje Londen. Aan haar rechterarm hangen twee volle plastic tassen, tussen de klitterige slierten grijs haar voor haar gezicht bungelt een peuk. Met haar vrije hand heeft ze haar verschoten wollen lange rok een stuk omhoog getrokken. Op het asfalt klettert haar hoge nood. ‘Disgusting’ klinkt het naast me in het gras van het keurige plantsoen.

Hordes even keurige kantoorfrikken genieten daar van zon en lunchpakketjes en sommigen hebben een goed uitzicht op het gebeuren tussen de twee auto’s. Men wendt met afkeurend getuite lippen het hoofd af. De waterende dame heeft in de gaten dat ze wordt bekeken, trekt haar rok verder omhoog, schudt uitdagend de blote kont en sjokt weg naar een ongewisse bestemming. Ik schiet in de lach.

Bij m’n afscheid uit Moskou vertelde ik aan Russische kennissen dat ik een reis naar Mongolië zou maken alvorens in Londen aan de slag te gaan. ‘Mongolië, dat is toch geen beschaafd land. Daar pissen de vrouwen op straat’, zeiden ze afkeurend. Keurige vrouwen, daar in Mongolië, vrij langgerokt ook. Ik moest dus naar de ‘bakermat van de Europese beschaving’ om met dit fenomeen kennis te kunnen maken. Maar wat heet beschaving tegenwoordig.

Londen telt meer daklozen en zwervers dan er in heel Mongolië zijn te vinden, de beschaving beperkt zich tot degenen die succes hebben en in de pas (blijven) lopen. De kloof tussen have’s en have not’s is niet het enige wat me opvalt.

Ik vond na een hotsende overtocht per Hoovercraft naar Dover een hotel in een dorpje vlak bij Ashford in het poppenhuisachtige Kent. Wat zijn de mensen er beleefd en vriendelijk. De receptioniste van het hotel vindt me ‘very interesting’, helemaal uit Holland en dat ook nog op de motor. Zet u die maar vlak bij de ingang, dan blijven we er de hele nacht op letten, zegt ze. Ja, er wordt vreselijk gestolen hier. Allemaal lui uit Londen die het platteland afstropen op jacht naar buit. Of zoiets. Want helemaal verstaan doe ik de dame niet. Ze praat met een accent dat ik zonder ondertiteling nauwelijks kan volgen.

Voorzichtig informeer ik naar de herkomst. ‘Oh, miljoenen Engelsen praten zo als ik, love’, verzekert ze opgewekt. Ze praten dus raar. En, ze zijn, met excuses voor de veralgemenisering, lelijk en wit. In restaurant en bar kijk ik met verbazing naar de witte bekkies van heren in driedelige verpakking. Managers of handelsreizigers, van die types, met de broekspijpen vanwege de vouw zo hoog opgetrokken dat het behaarde maar sneeuwblanke niemandsland tussen sok en zoom goed zichtbaar is.

Het geheim van die lelijke witheid moet in verkeerde eetgewoonten schuilen, denk ik, na me in de ‘geneugten’ van een echt Engels ontbijt te hebben gestort: een gebakken maar nog lillend eitje, gegrilde tomaat, witte bonen in tomatensaus, slappe patatten, vettige worstjes en kippers (gerookte haring). In de spiegel kijk ik even later naar een authentiek lijkwit Engels koppie, dat na enig turen het mijne blijkt te zijn.

Een frisse douche is de enige oplossing. Op de badkamerwand is met zwarte plakletters de volgende waarschuwing aangebracht: hang ten behoeve van uw eigen veiligheid en gemak het douchegordijn binnen het bad en leg de douchemat erin. Ik volg deze voorschriften nauwlettend op en overleef. De eerste les zit erop: de Britse beschaving heeft vele gezichten en douchen na het ontbijt, please. (30 april 2015)


 

Thaise tuin

De natuur moet ‘t werk doen, blijkt in Hampstead, een voorstad van Londen, een misvatting, merkt Hans Geleijnse. Een heg moet gecoiffeerd worden. Maar erg handig is hij er niet in.

Heg

Ik woon sinds kort in Hampstead Garden Suburb, Noord-Londen. De naam geeft het al aan: veel groen, niks te beleven. Kinderen spelen er niet op straat, van hangjongeren geen spoor, kroegen zijn op één vinger te tellen.

Hier nestelt de betere middenklasse in twee-onder-één-kaphuizen. De wijk maakt dan ook deel uit van het kiesdistrict dat Margareth Thatcher ooit naar het Lagerhuis lanceerde. Bij de meeste huizen prijken twee auto’s voor de garagedeur: de boodschappentas van moeder de vrouw en de representatieve sedan van heer kostwinner.

Aan vrijwel iedere buitenmuur hangt een indrukwekkende alarmkast, waarmee gezegd wil zijn dat er binnen wat te halen valt. Het geheel wordt omzoomd met heggen. Aan de voorkant reiken die tot de heup, bij de tuin achter gaat het om exemplaren van forse hoogte die een maximum aan privacy moeten garanderen. Ze maken stuk voor stuk de indruk alsof ze met lineaal en nagelschaar worden bijgehouden. Elk takje of blaadje dat uit het gelid springt is meedogenloos neergemaaid.

Ik wist tot voor kort geen bal van tuinen. Groen is voor mij groen, ‘t ruikt lekker en ‘t is er aangenaam verpozen als de zon schijnt. Voor de rest moet de natuur het werk doen. Dat blijkt dus niet zo te zijn.

De slaapkamerrust van m’n eerste zaterdagmorgen in de Garden Suburb werd wreed verstoord door een geluid dat me het zweet op de rug joeg. Ik haastte me uit bed om te zien of er een peloton tandartsen aan het oefenen was. Tussen de gordijnspleet zag ik echter een Marsmannetje boven ‘mijn’ heg uitkomen.

Een dik kaal hoofd, met aan elastieken een zwembril met hele dikke glazen erin. Daaronder een T-shirt met I love rugby erop, waaruit weer twee vlezige armen staken die bevestigd waren aan het soort handschoenen dat van kleine keepershandjes kolenschoppen maakt.

Die handschoenen omknelden een vervaarlijk trillend instrument dat, ik leer snel, heggentrimmer heet. Tevens ontdekte ik dat het Marsmannetje m’n buurman Bill was. Met geroutineerde bewegingen topte hij de heg af, terwijl ik stiekem en ademloos toekeek. Ik wilde net tegen het bultje verscholen onder isolerend dekbed zeggen: die man is gek, maar ‘t bespaart ons een hoop gedoe, toen het geluid ophield. Bill deed de handschoenen uit, keek goedkeurend naar de heg en verdween.

Tussen Bill en mij waren nog niet echt veel woorden verloren gegaan. Het knippatroon dat hij naliet – zijn hegkant kort, de mijne lang – was zelfs voor deze ‘foreign loonie’ een niet mis te verstane aansporing me bij de club van zaterdagmorgenheggetrimmers aan te sluiten. Ik repte me naar een tuincentrum in de buurt en kocht het clubgereedschap. Klaar voor het duel, dacht ik, stak het gevaarte in de heg van de voortuin, klemde de tanden op elkaar en gaf ‘gas’. Het geluid was oorverdovend, maar hield terstond op.

Verbaasd keek ik om me heen. Juist op dat moment passeerde een keurig heerschap, type Sherlock Holmes. Hij wees op het kleine stukje zojuist door mij perfect doorkliefde snoer dat doelloos aan het handvat van m’n tuinzwaard bungelde. Een minzaam knikje en daarna die hete Oxford-aardappel: ‘Winning all the battles, chap?’

Sindsdien slaap ik op zaterdagmorgen weer heerlijk uit. (25 april 2015)

Hans Geleijnse schreef deze column in 1995, aan het begin van zijn periode als Londens correspondent voor de Geassocieerde Pers Diensten.


 

King John signing the Magna Carte at Runnymede on June 14, 1215

Salisbury Cathedral

Op de tv zien we hoe jongens en meisjes worden opgeleid om in het koor van de kathedraal van Salisbury te zingen. Zij komen uit heel Engeland, de selectie is streng, maar wie wordt uitverkoren wordt toegelaten tot de kostschool van de kathedraal. De uiterst gemotiveerde kinderen studeren naast hun gewone schoolwerk de stukken in, die de diensten in de kerk zullen opluisteren.

De dirigent oefent apart met drie jongens van een jaar of tien het Magnificat van Mozart. De beste zanger krijgt de solopartij en de dirigent spoort hen aan om zo mooi mogelijk te zingen: Think of something lovely, your girlfriend, with waving hair, presenting you a big Easter egg.

We willen het zelf live meemaken en reizen af naar het geliefde Albion. Links en rechts naast ons strekt zich de glooiende bocage uit met zijn door heggen omzoomde percelen gestoffeerd met wit gewolde wolkjes, grazend en blatend, in de verte de contouren van de kathedraal, onaantastbaar afstekend tegen de donkere onweershemel.

Op de woensdagavond van de lijdensweek, Holy Week, betreden we de kathedraal. Hoog boven ons de kruisbogen met ribben in zwart en grijs, sobere inrichting, geen heiligenbeelden langs de wanden, wel een van de oudste uurwerken ter wereld, dat ieder uur slaat, want zonder wijzerplaat of wijzers.

In het kapittelhuis ligt de Magna Carte van 1215, een van de vier overgebleven originelen waarin de koning wordt duidelijk gemaakt dat zelfs hij niet boven de wet staat. We mogen zitten op de gebeeldhouwde zetels in de zijbeuk van het schip, want er is plaats genoeg, niet meer dan honderd aanwezigen, de ontkerkelijking schrijdt voort.

Het koor betreedt het schip, de jongsten voorop, het rood van de mappen met muziek contrasteert met het groen van de gewaden. Zij nemen voor ons plaats. De Service of Shadows, in het Latijn Tenebrae, begint met In perfect peace and safety, I will sleep and take my rest.

P1030344De ijle tonen van de kinderstemmen ondersteund door sonore bassen stijgen op, vervagen in de kruisbogen hoog boven ons.

De priester verhaalt van de kruisiging van Christus, hoe de hemel betrekt op Golgotha. Een voor een doven de twintig kaarsen in het presbyterium, buiten treedt de nachtelijke duisternis in.

Het koor zingt afwisselend motetten, psalmen en nocturnes. Op Golgotha wordt het donker, in de kathedraal dooft de laatste kaars. Dan sterft Jezus, de aarde schudt, het voorhang in de tempel scheurt. Wij zitten nu in pikkedonker, een harde klap verstoort de stilte, in de apsis voorin gloort licht, het licht van Christus, het is volbracht. In stilte verlaten het koor en de geestelijkheid het schip, in stilte verlaten wij de kathedraal. (datum)

Chris Ebbe
April 2015

Illustratie: King John signing the Magna Carte at Runnymede on June 14, 1215.

N.B. De tv-uitzending die Chris noemt, is de BBC documentaire Angelic Voices, helaas niet meer beschikbaar op Uitzending gemist.


 

Moskou

Het nieuwe Rusland, geboren uit de ruïnes van de Sovjet-Unie kreeg de bijnaam Het Wilde Oosten. Hans Geleijnse maakte het allemaal mee. Waar je mee omgaat, raak je mee besmet. Een impressie over de verleidelijke route naar de miljonairsstatus.

Soepkip

Roman is een handige jongen. Hij weet alles van computers en scharrelt er naast zijn baan bij een Russisch-Amerikaans computerbedrijf duchtig bij. Als er iets met mijn computer mis is – en helaas gebeurt dat om de haverklap – komt Roman nieuwe ‘script files’ intikken en andere ingewikkelde dingen die meestal op ‘exe’, ‘bat’ of ‘com’ eindigen.

Roman kent Viktor. Een zakenman. En laat die nou gehoord hebben dat je in Nederland goedkoop aan ingevroren kippenpoten en rundvlees in blik kunt komen. Hij wil bestellen: voor twee miljoen dollar aan kippenpoten en nog eens twee miljoen aan ingeblikt rund. En, allemaal rijk, Roman en ik krijgen bij een geslaagde transactie allebei één procent van het totaalbedrag.

Twee dagen later staat de vriend voor m’n neus. Viktor straalt succes uit. Van mijnwerker tot directeur, dat soort. Snelle Italiaanse schoentjes, een Brits maatpak, gouden horloge en een permanente spotgrijns die blinkend witte tanden blootlegt.

Viktors bedrijfje staat geregistreerd in de VS. ‘Handig voor de bankzaken’, zegt hij er met een knipoog bij. ‘Hollanders willen toch graag verdienen?’, vraagt hij grijnzend. ‘Jij hebt een goeie telefoon en een fax, je spreekt Nederlands en je hebt vast connecties daar. Ik niet. En, maak je geen zorgen, alles gaat officieel, met bankgaranties.’

Zwetend lig ik ‘s avonds in bed te piekeren over twintigduizend snel te verdienen dollars. Weggeven dat geld aan arme Russische weeskinderen, of toch maar liever een dure vakantie nemen? Nachtmerries over beroepsethiek en oneigenlijk inkomen. Tot de gouden oplossing komt. Dit wordt in elk geval een column.

Dus ga ik aan de slag. Ik benader een vijftal Nederlandse bedrijven. Of ze maar even een offerte willen leveren. De reacties vallen tegen. ‘Twee miljoen dollar’, roept een vleesboer. ‘Och, die Russen kunnen alleen maar in miljoenen denken. Maar betalen, ho maar.’ Na een week heb ik twee offertes binnen. En een probleem. Want de wakkere kippendealer vraagt me of het om poten van grill- of soepkippen gaat. Die laatste categorie is taaier, maar aanmerkelijk goedkoper.

Ik doe navraag bij Viktor, die ondanks zijn zakelijke succes een kamer betrekt in een Moskous hotel van bedenkelijke reputatie. ‘Soepkipppen, natuurlijk’, schaterlacht hij. ‘Denk je dat onze afnemers geroosterd het verschil proeven?’Dus bestel ik diepgevroren soepkippenpoten, voor het soepele prijsje van 820 dollar per ton.

Dan laat de potentiële Nederlandse partner weten slechts voor 160.000 dollar te kunnen leveren. Het tweede bedrijf laat het afweten ‘wegens gebrek aan levende aanvoer’, veroorzaakt door de net failliet verklaarde slachterij.

Dit bedrijf kan echter wel ‘in eigen sap ingeblikt rundvlees’ leveren, maar de prijs is volgens Viktor zo hoog dat hij meteen van elke bestelling in Nederland afziet. Uiteindelijk is Viktor contract-gereed voor de soepkippenhandelaar. Maar op het beslissende moment blijkt de directeur de Veluwe voor de Spaanse kust te hebben verruild en is er niemand die een contract op mag maken bij afwezigheid van ‘de directie’.

Inmiddels ben ik om de oren geslagen met douanetermen, EU-restituties en transportformulieren. Het is mooi geweest, denk ik, en geef gratis en voor niets alle adressen en telefoonnummers van het falende Nederlandse bedrijfsleven door aan Viktor.

Hij kan inmiddels feilloos ‘soepkip’ zeggen, ik weet hoe staatsondernemingen via de Viktors hun roebelkredieten zonder belastingproblemen in dollar-importen omzetten. Ik begrijp echter vooral waarom een hoofdredacteur ooit tegen me zei, dat je in elk beroep kan mislukken en toch slagen als journalist. Als je maar meer van schrijven dan van dollars houdt. (21 april 2015)


 

Fiamma Tricolore

Xenofobie en racisme zijn van alle tijden en plaatsen. Hans Geleijnse over een nare herinnering aan tien jaar onder Italianen.

Welkom in Italië, lieve blanke

Benvenuto a … Italië barst van meestal kleurige borden met ‘welkom in…’. gevolgd door de naam van een stad of dorp, pretpark of strand.  Het past ook bij het image van het warme, gastvrije Italië, waar de zon altijd opgewekt schijnt en het leven een feest is.

Italië-adepten en toeristen – vaak gaan die twee hand in hand – missen een grote voetnoot bij deze ‘werkelijkheid’. Op al die benvenuto-borden had rechts onderin een sterretje moeten staan met de tekst: ‘mits blank’. Gekleurde vreemdelingen krijgen namelijk met een heel ander Italië te maken.

Mohany Satubangsa, een in Nederland opgegroeide schoonheid van Moluks-Indiase afkomst, kan erover meepraten. Ze werkt bij een multinational in Rome, spreekt vloeiend Italiaans, maar vond toen ze hier een paar maanden terug een huis kwam zoeken deuren gesloten.

Dat wil zeggen, die werden voor haar neus dichtgegooid als zij zich persoonlijk meldde na het telefonisch maken van een afspraak om een huis te bezichtigen. Het mooie appartementje bleek ineens reeds verhuurd. Of een ander was plotsklaps vier- tot vijfhonderd euro per maand duurder dan in de advertentie stond vermeld.

Mohany (een pseudoniem overigens) vond uiteindelijk een kamer in de Romeinse volkswijk San Giovanni, onder meer fameus omdat voetbalheld Francesco Totti er opgroeide. Ook de fanatieke aanhang van de rivaliserende voetbalclubs SS Lazio en AS Roma hebben er hun honken en dat was pech voor Mohany.

Op een avond joeg een groep van deze kaalgeschoren Neanderthalers haar de schrik op het lijf door haar tot aan de huisdeur lastig te vallen, onder meer met het prachtige lied Fiamma tricolore, razza superiore. De driekleurige vlam is het fascistische symbool van extreem-rechts en net als hun geblaat over ‘superieur ras’ een helaas meer dan getolereerd verschijnsel in Italië.

Mohany raakte niet alleen van stuur, maar ook zeer kwaad en deed bij het dichtstbijzijnde politiebureau aangifte. Ze werd er netjes behandeld, hoewel de dienstdoende agent keek haar wel vreemd aankeek. ‘Maar mevrouw, ze hebben u toch niets gedaan. Dan kunnen wij ook niets doen.’

Natuurlijk zijn niet alle Italianen racistisch. Maar velen lopen liever met oogkleppen op. Dat er al jarenlang geregeld mensen om hun huidskleur op straat in elkaar worden geramd wordt steevast als incident beschouwd.

Ooit was de hoofdredacteur Colombani van het Franse dagblad Le Monde zo woedend over de ‘uiterst vernederende’ behandeling die zijn uit India afkomstige geadopteerde zoon van Italiaanse douaniers kreeg, dat hij in een open brief aan de Italiaanse krant La Repubblica betoogde dat Italië een ‘racistische cultuur’ kent.

Het regende verontwaardigde ingezonden brieven. De toenmalige minister van justitie Castelli schreef badinerend: ‘Wat jammer dat onze hardwerkende grensbeambten een intellectueel van links Frankrijk moesten treffen.’

Diezelfde Castelli hield zich uiteraard muisstil toen de zeer eerbiedwaardige en zeer blanke leden van het Hooggerechtshof oordeelden dat uitschelden met ‘vuile neger’ geen strafbaar feit is. Ach, in een land waar het bella figura belangrijker is dan de lading die het verbergt kan dat geen verbazing wekken. (17 april 2015)


 

Paul Bremer reist van Malang naar Surabaya en kijkt naar buiten. Tja, wat moet je anders als je tweeëneenhalf uur in de trein zit: medepassagiers observeren? Dat doet hij ook.

Over een schopstoel en een teil

Aan het einde van de ochtend stap ik in de trein van Malang naar Surabaya. ‘Bisnis class’ om een beetje beenruimte te hebben en in alle rust te genieten van het uitzicht op vulkanen, dessa’s en sawa’s. Dit deel van de trein is maar half vol, een gereserveerde stoel was niet nodig geweest. Ik ga netjes op de mij toebedeelde stoel aan het raam zitten. Weinig passagiers maar wel allemaal op een hoopje.

Op de schop-stoel
Haar mond was een stuk rapper dan haar kont. Ze had een lui achterwerk van een daarbij passende omvang en die hing maar wat in de stoel achter mij. Haar korte beentjes het liefst tegen mijn stoelleuning waardoor deze regelmatig heen en weer schoot als zij bewoog. Alsof mijn stoel een eigen leven leidde. Een afkeurende blik over mijn rugleuning werd beantwoord met een nieuwsgierige grijns.

Af en toe legde ze haar voeten in de schoot van haar reisgenoot die deze dan liefdevol masseerde. Haar mond stond de hele treinreis niet stil en ze was daarbij nogal luidruchtig. Haar goedmoedige man deed daaraan flink mee maar zij voerde toch duidelijk de boventoon.

Aardige mensen overigens. Bij binnenkomst en vertrek werd ik vriendelijk toegeknikt. Liefst waren zij denk ik een praatje aangegaan over waarheen en waartoe maar daarvoor was ik niet zo in de stemming vanwege hun nadrukkelijke aanwezigheid. Volgens mij waren ze, nog steeds of pas net, gek op elkaar terwijl ze beiden, schat ik, toch wel de veertig ruim gepasseerd waren. 

Gelukkig zou de treinreis van Malang naar Surabaya maar zo’n tweeëneenhalf uur duren. Naar gelang we dichter in de buurt van het eindstation kwamen des te onrustiger ze echter werden. Heen en weer geloop, naar de wc, hoofddoek af, haren touperen, vervolgens zijn petje op haar inmiddels enorme haardos. Enzovoort en zo verder. 

Zo te zien waren beiden geen Javanen. Daarvoor waren ze te grof gebouwd en te ongepolijst. Ik schat dat ze op weg waren naar Madura, aan de overkant van de nauwe zeestraat die het van Surabaya scheidt. Het laatste stukje ben ik maar elders gaan zitten om te voorkomen dat ik mij te veel zou gaan storen aan het geschud en gekakel. Maar aardig luitjes waren ze, dat wel.

Eenmaal in de volgende coupé had ik het rijk zo goed als voor mij alleen. Eindelijk dan toch nog ongestoord naar buiten koekeloeren.

De wandelende teil
Wel eens een wandelende teil gezien? Het spiernaakte meisje van ik schat toch wel een jaar of acht maar misschien ook wel tien wandelde over straat met een omgekeerde grote groene plastic teil over haar hoofd. Alleen haar blote onderlijf was nog te zien was. Als een soort vreemdsoortige schildpad op twee benen.

De trein stond alweer een tijdje stil om het station van Surabaya binnen te lopen. Vanachter het raam had ik een mooi uitzicht op dit tafereel zonder dat de spelers op straat zich bewust leken van de trein en van mijn gekijk. 

Niet eens de lopende teil, wat mij het meest opviel was de jongen van een jaar of 14 die aan de voet van de spoordijk de vaat waste boven een goot. Hij werkte onverstoorbaar door. Borden werden gewassen en pannen geschrobd. De teil en de show van zijn zusje keurde hij geen blik waardig.

Ook twee paraderende meisjes van bijna zijn eigen leeftijd leken zijn aandacht niet te trekken. Één van hen liep op veel te grote slippers, als ze schoenen met hoge hakken had kunnen lenen dat had ze dat vast gedaan. Ze bleven maar voor zijn neus heen en weer paraderen maar hij gaf geen krimp.

Oma rolde het geïmproviseerde zonnescherm op. Opa kwam daarachter te voorschijn. Ook van hem zag ik vooral zijn blote benen, terwijl hij aan een tafel iets zat te prutsen. Aan de uitgestalde waar buiten te zien zat hij waarschijnlijk achter een naaimachine iets te stikken.

Op de één of andere manier deed het mij goed te zien dat de jongen zo opging in zijn taak, alsof hij er een eer in stelde de vaat spic en span af te leveren. Dit ondanks de om aandacht vragende meisjes, voetbal, brommers en de verleidingen van internet. 

Jammer genoeg was het meisje met de teil al verdwenen toen ik op het idee kwam dit tafereel te fotograferen. De harde werker onderaan de spoordijk staat er gelukkig wel op. (26 maart 2015)


 

Paul Bremer gaat in het diepe Zuiden van India op zoek naar olifanten. Als dat maar goed afloopt.

Krakende takken en getetter

Stevig doorstappend volg ik de ranger die mij, in alle vroegte, heeft opgepikt in de lodge, om via smalle weggetjes richting het woud te lopen. Onderweg komen we verschillende lokale bewoners tegen. Zij gaan het bos in om hout te sprokkelen, vruchten te zoeken en wie weet ook wel te jagen. Bosbewoners komen ons tegemoet op weg naar de markt. Voorbij de het ranger-station, waar ons een goede ‘jacht’ wordt toegewenst, duiken we met ons tweeën dieper de bush in.

Zo geruisloos mogelijk lopen we door de lage begroeiing onder de hoge bomen. Bij het minste of het geringste knappen er takken of worden we verraden door onze voetstappen op de verdorde bladeren. De olifanten waar we naar op zoek zijn zijn echter ook op deze manier te vinden door goed te luisteren of er ergens tussen de bomen hun gedruis valt te horen.

Een geluk bij een ongeluk, een olifant verraadt zichzelf heel wat sneller, zeker als er wordt getetterd en een boompje wordt platgelopen. Hoewel de rangers het gebied goed kennen is het altijd maar weer afwachten wat er die dag op hun pad komt. Regelmatig apen en olifanten, wie weet een groot Sambarhert of een wildzwijn en met heel veel geluk een tijger.

Periyar National Park
Van het koele Bangalore in de bergen, via de klamme hitte in Kochi aan de westkust en de eindeloze theeplantages van de firma TATA, ben ik nu in de wouden in het diepe zuiden van India aangeland. Dit is op dezelfde hoogte als de noordpunt van SriLanka. In het enorme Periyar National Park leven naar schatting vijftig wilde tijgers en honderden olifanten.

In het centrale deel van het park, niet zo heel ver van de hoofdingang, kan je onder toeristen populaire rondvaarten maken over het meer en dan meestal wel één of meer kuddes olifanten spotten die in de namiddag hun dorst komen lessen. Daarop wilde ik echter niet wachten en besloot ‘s morgens al mijn geluk te beproeven.

En inderdaad, na het eerste getetter vinden we na een uur vrij makkelijk het eerste paar olifanten. Behalve hun ruggen en wat schimmen zien we echter niet veel vanwege de dichte begroeiing. De ranger maakt me duidelijk ruim voldoende afstand te houden. Niet veel later horen we weer iets kraken, nu achter ons. Op de hurken en afwachten. Het geluid komt onze kant op. De eerste contouren worden zichtbaar. Een andere ranger doemt op met achter zich aan een stel. Al gauw hoor ik een bekende tongval en jawel, ook Nederlanders. We besluiten gezamenlijk verder te gaan.

Na een tijd dwalen en veel luisteren weer het geluid van krakende takken en een vervaarlijk getetter. Wij spoeden ons die kant op. Nu twee volwassen kolossen en een kalf. Extra oppassen dus. Wij talmen want willen deze keer graag meer zien en wat plaatjes schieten. Al snel wordende de rollen echter omgedraaid, nu worden wij niet alleen bespied maar ook gevolgd. Het grootste beest komt gestaag onze kant op met de andere twee in haar kielzog. Wij trekken ons terug. Sterker nog, wij moeten hollen, zij snel-wandelen en dat gaat echt reuze(n) vlot.

Eind goed, al goed. Wij geven niet op, het drietal wel. De rust keert terug. Wij hebben ons avontuur overleefd. Tijgers deze keer niet gezien. Zelfs de ranger heeft er in de tien jaar dat hij hier werkt ‘maar’ drie gezien. We kwamen ook nog een onverwachte reus tegen. Geen olifant of een katachtige maar een reuzen-eekhoorn, oftewel een ‘giant-squirrel’. De eekhoorns in mijn tuin zijn maatje rat met pluimstaart. Deze giant is echt enorm, meer het formaat hond, en blijkt wel een meter lang te kunnen worden. (16 maart 2015)


 

‘My Beautiful Laundrette’

Overal in India tref je nog openluchtwasserijen aan. Ook in de wasserij in Kochi, Zuid-West India, wordt alles nog ‘op de hand’ gewassen. Naar verluidt zijn het veertien families die hierin de was verzorgen. Zij huren ieder een wasplaats in de gemeentelijke wasserij. Ze halen en brengen de was thuis, wassen, drogen en strijken. 

Er is wel elektriciteit in de wasserij maar ze gebruiken die amper of niet. De strijkijzers worden met gloeiende kokosnootbasten gevuld. Achter de wasserij is een enorm veld waar de was te drogen wordt gehangen. In Nederland noemden we een veld waar de was te drogen werd gelegd een ‘bleek’. Het veld zal zijn naam vast eer aandoen, de was hangt er uren in de volle zon. 

Bijzonder ook dat ik ergens langs de weg een mobiele strijkinrichting zag op een handkar. Met name chauffeurs die onderweg zijn, zouden hier hun (zelfgewassen?) kleding weer kreukvrij laten strijken en persen.

Over (ont-)kleding gesproken, voor mij is een van de charmes van Aziatische landen dat de jonge mannen, als je met ze staat te praten, of alleen maar naar ze kijkt (geen oorzakelijk verband lijkt mij) soms opeens hun T-shirt tot borsthoogte ophijsen. Zo voelen ze op een hete dag een beetje koelte en tonen en passant hun vaak mooie platte buik.

In India ontdekte ik een variant hierop. De mannen lopen regelmatig met in iedere hand een punt van hun longy, ook wel sarong of lendendoek genoemd, waardoor er een beetje frisse lucht onder hun ‘rok’ kan komen. Vaak ook wordt de hele onderhelft naar boven opgetrokken en onder het middel ingestopt. Met het zo hoog ophalen van hun longy worden natuurlijk de gespierde benen getoond, wat vaak een aardig gezicht is. Wat mij vooral bevalt is de niet erotisch bedoelde maar, voor de liefhebber, toch ‘spannende’ gewoonte.

Zo heb ik dit in andere landen in Zuid-Oost Azië niet eerder gezien. Behalve dan in Burma waar de longy vaak zelfs tot kruishoogte wordt opgetrokken als de jongens takraw (voetvolleybal) gaan spelen en er optimale bewegingsvrijheid nodig is. In mijn ogen trouwens een van de mooiste sporten waar ongelofelijk veel behendigheid voor nodig is. Niet alleen de voeten, ook de knieën en het hoofd worden gebruikt om de bal te spelen. (7 maart 2015) 

Paul Bremer


 

Paul Bremer waant zich terug in de tijd toen panga’s voor verkoeling moesten zorgen. Ze hangen er werkeloos bij in de St. Francis Church en het Bronton Boatyard Hotel in Kochi. 

Panga’s en de Pangawallah

In Kochi, een havenstad in Zuid-West India, met een lang koloniaal verleden trof ik tot mijn verbazing nog een aantal goed bewaard gebleven panga’s aan. Een panga is een met de hand bediende fan, uit de tijd dat er nog geen elektriciteit was. Eigenlijk lijkt het nog het meest op een kort gordijn onder een lange lat. Zij hangen in twee lange rijen in de lengte richting van de ruimte. 

Via touwen die door de wand naar buiten lopen werden deze panga’s heen en weer getrokken door een wallah (mannetje) en zo werd de lucht in beweging gebracht. Dit in de verwachting dat dit enige verkoeling zou geven. Jef Geeraerts beschrijft in de detective De Ambassadeur, die in Zuidoost Azië speelt, een soortgelijke constructie. Anders had ik niet eens meteen begrepen waar deze installatie voor dient. 

Geen idee of de pangawallah’s zelf in de zon stonden maar het zal hoe dan ook een warm werkje geweest zijn in de vochtige hitte hier. In de St. Francis Church hangen de panga’s erbij alsof de wallah er zo weer een ruk aan gaat geven. De pangawallah was echter in geen velden of wegen te bekennen. Hoogst waarschijnlijk een uitgestorven beroep.

In deze kerk zijn verder nog de grafstenen te zien van verschillende VOC-lieden maar ook van bijvoorbeeld Vasco da Gama (1469-1524), de befaamde ontdekkingsreiziger en de leider van de eerste expeditie van de Portugezen naar India. 

Reusachtige rain trees
Ook in de lobby van het koloniale The Bronton Boatyard Hotel hangen twee rijen panga’s in zeer goede staat. Maar ook daar heb ik deze niet gebruikt zien worden. Dit hotel ligt pal naast het haventje waar de ferry’s van en naar de eilanden, hier vlak voor de kust, vertrekken en aankomen. Als ik daar ‘s avonds op het luisterrijke dakterras zit en na het eten wat notities maak, is het tegen negenen een drukte van belang met mensen die na gedane arbeid huiswaarts keren.

Dit alles onder de schaduw van reusachtige rain trees. Machtige bomen met een enorm breed bladerdak waar het in de hitte goed onder toeven is. Naar verluidt zijn deze bomen hier ooit door de Portugezen geïntroduceerd doordat zij de zaden meenamen uit Brazilië. Hoewel het dus van oorsprong een uitheemse boom is lijkt mij dat deze streken maar boffen met deze immigranten.

Op de elektrische lampen, de motorfietsen en wat auto’s na lijkt de tijd hier stilgestaan te hebben. En de auto-riksja’s natuurlijk, ook wel tuktuk’s genoemd, niet te vergeten. Het krioelt hier van de mensen. De mannen deels met opgetrokken lendendoeken, dit zeker als zij een oude herenfiets berijden. De vrouwen in prachtige felgekleurde sari’s die mooi afsteken tegen hun donkere huid. Overal wordt er verkocht en gekocht. Je waant je hier terug in de tijd, de pangawalla zou zo de hoek om kunnen komen. (2 maart 2015)


 

In Moskou is het steenkoud, in Irkutsk heeft het hotel de sfeer van een legerplaats en overleven met warme thee en Bacardi in de Transsib naar Khabarovsk. Erik Kuijpers op reis in de USSR van 1987.

USSR in 1987

Ik was 41 jaar en ging voor het eerst een vliegtuig in. De Iljoesjin 62. Reisdoel was eerst Moskou, dan Irkutsk en daarna de trein, de Transsib zoals ie wel wordt genoemd. Aan het hoofd van de leidende partij stond toen Mikhail Gorbachev (1931).

Moskou
Juni, dus redelijk weer in Moskou; in het oosten was het steenkoud. In Moskou de obligate dingen gezien. We hadden een reisbegeleidster die kunstgeschiedenis had gestudeerd en vloeiend Duits sprak plus behoorlijk Nederlands. Tatjana, hoe zou ze anders moeten heten.

Wij waren, als groepsreis van een organisatie gespecialiseerd in de USSR, hooggeëerde gasten; logeerden in het grote Cosmos hotel aan de Laan van de Vrede en kregen voorrang als we een museum in wilden. De Russen bleven buiten in de rij staan.

Irkutsk
Vliegen naar Irkutsk en het toen nog grote en ongerepte Baikal meer bekeken en bevaren. Het meer is nu ernstig aangetast.

Hotels met de uitstraling van een Hilton, ze heetten allemaal Intourist Hotel, maar met de sfeer van een legerplaats. En het aparte, de hotelbar had een buitenloket! Daar stonden de Russen aan een wodka te nippen in de vrieskou. On the rocks dus. Wij hadden het binnen lekker warm en de bedienende dames lieten doorschemeren dat ze ons voor 100 dollar de man wel wat extra wilden opwarmen…..

Eten was goedbedoeld doch zozo en voor de winkels stonden ellenlange rijen voor ‘vers’ voedsel.

De Transsib
Die was toen nog met diesellocs; nog niet voorzien van bovenleiding. De trein in; met vier man in een coupé, twee sliepen beneden, twee boven, smal bed maar daar kon je een riem voor krijgen. WC op de gang waar direct de treinbegeleidster, een Russische dame met een figuur als een worstelaar, het hoofd om de deur stak en vroeg of je thee wilde.

Immers, de samowar brandde dag en nacht! Dat ding werd gevoed met houtskool en dat stonk een uur in de wind en de coupés door.

Hoogtepunten van de treinreis waren de eetwagon want dan had je wat te doen, en de flessen Bacardi die we hadden om te mengen met de sterke Russische thee. Op de weinige stopplaatsen mochten we er even uit en konden we lokaal voedsel kopen en uiteraard wodka. Verder was het gewoon vervelen.

Khabarovsk
Khabarovsk was het eindstation; Wladiwostok was toen nog verboden voor toeristen. En in Khabarovsk scheen de zon weer en was het lekker warm. (1 maart 2015)


 

Gerrie Agterhuis werkte 2 jaar in de buurt van Belgrado. Hij leerde er dat je maffia mannen kunt herkennen aan hun tieten.

Maffia en dikke tieten

Het zal eind tachtiger jaren zijn geweest, toen mijn werkgever me vroeg om plantmanager te worden in Fastiv in de Ukraine. Nog nooit van gehoord, maar nieuwsgierig als ik was er toch maar eens gaan kijken. Landen in Kiev en een nacht in een hotel met blokverwarming. Dat betekent dat een compleet blok van straten centraal verwarmd wordt met 1 installatie.

Als je aan het eind zit, dan is er niet veel warm water in het systeem en volgens mij zat mijn ‘hotel’ dus daar. Ik schrijf hotel tussen aanhalingstekens want het was maar een armoedig zootje (kleine dierentuin) Liften zoals je ook zag in steenkolenmijnen, en ratten die lawaai maakten op je plafond.

De volgende dag met de auto naar Fastiv. De chauffeur had destijds in Tsjernobil moeten helpen om de rommel op te ruimen. Niemand had hem verteld hoe die rommel ontstaan was. Als waardering had hij een vrijkaart gekregen voor het openbaar vervoer voor de rest van zijn leven, hetgeen waarschijnlijk niet lang zou zijn.

Voor we aankwamen onderweg gestopt bij een boerenvrouwtje om losse melk en boter te kopen en ergens anders wat vers brood. Op de plant aangekomen mijn ogen uitgekeken,maar hier zal ik niet over uitweiden, want het gaat tenslotte over de titel van dit verhaal. Als ik de functie zou aanvaarden, moest ik wel in Fastiv gaan wonen en ze lieten me de flat zien.

Onderaan een kruidenierswinkel, maar die was dicht, omdat de man niet wilde afdragen aan de maffia en hij samen met zijn vrouw een kopje kleiner waren gemaakt. Mijn eerste verhaal over de maffia dus. Niet vreemd dat ik de functie niet heb aanvaard, maar ben er later wel enkele maanden terug geweest.

Tweede verzoek was om een fabriek op te starten in de buurt van Belgrado (Zemun) De eerste avond met enkele mensen gaan eten in een statig restaurant. Na het voorgerecht kwamen er toch twee stoten van meiden binnen…… Kon mijn ogen er niet van afhouden, maar werd er op gewezen niet te kijken. Bleek dat het vriendinnetjes waren van enkele maffia mannen.

En inderdaad, die kwamen er achteraan. Mij werd verteld hoe deze mannen te herkennen. Die hadden namelijk dikke tieten. In hun leren jas zat in de linker binnenzak een pistool en in de rechter een hoop met geld. Dus zo herkende je ze toen. Tegenwoordig weet ik het niet met al die creditcards.

Heb daar meer dan 2 jaar gewerkt en het goed naar zin gehad. De fabriek draait nog steeds en om de 2 jaar breng ik er nog wel eens een bezoekje en er dan met open armen ontvangen wordt. Is ook de enige plaats, thuis is iets anders…… (22 februari 2015)


 

Paul Bremer gaat in de Indiase havenstad Kochi op zoek naar sporen van de Verenigde Oost-Indische Compagnie, die er een handelspost had.

Kochi, de VOC en een ‘Dutch Cementry’

Onderweg van het koele Bangalore in de bergen naar de wouden, om olifanten en tijgers te spotten, daalde ik af naar de broeierige kust om eerst een bezoek te brengen aan het roemruchte Kochi. Naar ik had gehoord een interessante havenstad, in de deelstaat Kerala, in Zuid-West India met een lang koloniaal verleden. Mijn vorige bijdrage over de ‘Kiss of Love’ speelde zich hier af. Ik was benieuwd of er nog wat terug te vinden is van de Verenigde Oost-Indische Compagnie, de VOC, die hier anderhalve eeuw een belangrijke vestiging heeft gehad.

Allereerst trof ik daar, om de hoek van mijn hotel, aan het strand de zogenaamde ‘Chinese Vissersnetten’ uit de achtste eeuw. Blijkt dat de Chinezen hier ooit al handel dreven. Daarna waren het de Portugezen die de kusten van India als eerste Europeanen koloniseerden. Vervolgens nam de Verenigde Oost-Indische Compagnie een aantal van deze handelsposten met geweld over. Dit duurde totdat de Hollanders weer gedwongen werden deze plaatsen weer aan de Britten af te staan toen die India als geheel onder hun bewind brachten.

Na tweemaal eerder de Portugezen in Kochi vanuit Sri Lanka te hebben aangevallen lukte het de VOC, onder leiding van Van Goens, in januari 1663 zich hier definitief te vestigen aan de rijke kust van Kerala. De VOC zou in Kochi bijna anderhalve eeuw een groot regionaal hoofdkantoor in bedrijf houden. Het netwerk van steunpunten waarbinnen de VOC alle zeevaart en handel kon controleren was, na Ceylon, met Kochi verder uitgebreid en versterkt. De VOC verdiende daar goud geld met de handel in onder andere kardemom en peper.

Het voormalige fort is nu een lommerrijke wijk met behalve oude villa’s veel nauwe straatjes met middeleeuwse huizen en horecagelegenheden. Ik bezocht daar onder andere het Dutch Palace en de Dutch Cementry. Maar ik bezocht er ook nog een zeer oude Portugese synagoge. Veel van de Portugezen waren joden. De kleine maar mooie synagoge wordt tot op heden nog door zeven joodse nazaten gebruikt.

Wat nu het Dutch Palace wordt genoemd werd wel door de Hollanders gebruikt als hoofdkwartier maar gebouwd door de Portugezen. Het oude fort werd na verovering door de Hollanders tot de grond toe afgebroken. Het gebouw dat op deze plaats werd gebouwd, kreeg de naam Bassin Bungalow. Een prachtige in koloniale stijl opgetrokken villa met een grote binnenplaats waar nu de Archeologische Dienst gehuisvest is. Gezien de matige staat van onderhoud zal het geen eeuwen duren voordat dit optrekje zelf een archeologische bezienswaardigheid is geworden.

Niet ver daar vandaan is de Dutch Cementry. Een romantisch ommuurde begraafplaats omzoomd door hoge bomen. Hier zijn tientallen graven met redelijk bewaard gebleven grafstenen van Hollanders en een aantal Britten.

Er zijn in het voormalige fort Kochi nog veel meer huizen en villa’s die als Dutch aangeduid worden. Op een Zaans geveltje na, naast de begraafplaats, vond ik er weinig typisch Hollands aan. De gebouwen deden mij veel meer denken aan de in koloniale stijl gebouwde villa’s zoals je die kunt zien in het voormalige Nederlands-Indië. Deze grote huizen zijn deels gebouwd rond een enorm open veld, een voormalig exercitie terrein, overschaduwd door reusachtige RainTrees.

In de St. Francis Church, grenzend aan dit open veld, zijn ook nog een aantal grafstenen te zien van voormalige VOC-ers zoals ene Baltezar, Van Hovingen en De Jong. Tot mijn grote verrassing zag ik in die kerk een heuse Panga. Een relict uit lang vervlogen tijden. Ik ging meteen op zoek naar de Pangawallah. Daarover een volgende keer meer. (21 februari 2015)


 

Bert van Balen zeilt op de Westerschelde met aan boord een nimf in een minuscule bikini. Paniek: schroefas gebroken, het zeewater spuit naar binnen.

Een idyllische middag

De wind was zwak uit het oosten, de juli zon scheen uitbundig, schitterde op het water van de Westerschelde, de koers lag op de kop van Walcheren en wij keken naar lege stranden. Het tij was nog vier uur mee.

Een mooi zeilweekend met een meisje van de tennisclub op een geleend zeegaand jacht van een vermogende vriend. Zij was mooi en strak, net zo strak als ikzelf in die tijd, zij droeg een minuscule bikini, en ik een zwembroek waarin ik nog niet eng was. Ik hield het roer, zij maakte koffie, ik navigeerde tussen rode en groene bakens, zij schonk het bier, ik draaide aan de lieren, trimde de zeilen, zij wandelde over het dek hield zich vast aan zeerailing en stagen.

De wind werd zwakker en zwakker, de motor werd gestart, de zeilen gestreken en wij maakten zes knopen in de hoop voor het duister de veilige haven van Vlissingen te bereiken. Wij strekten ons uit op het voordek, de autopilot hield koers. De juli middagzon brandde onze huiden bruin.

Maar hoe een idyllische middag kan veranderen in een drama met een harde klap waarna het monotone geluid van de motor ophield.

Met tegenzin verliet ik haar en liep over het dek naar de kuip en daalde het trapje af naar beneden waar zich het motorruim bevond. Ik tilde de  deksel op en zag een forse straal zeewater via een gat waar de schroefas zich behoort te bevinden naar binnen spuiten. Schroefas gebroken en de schroefaskoker uitgelopen was mijn logische en juiste conclusie.

Wij waren zinkende!
Geen ANWB in de buurt die het even snel komt repareren, geen ander schip in de buurt dat assistentie komt verlenen, wij dreigden drenkelingen te worden voor de kust van Walcheren. Wij, mijn bruin gebrande strakke meisje van de tennisclub. Ik, die haar in een reddingsvlot zou moeten helpen en onszelf veilig op het strand van Walcheren moest brengen.

De paniek moet in mijn ogen leesbaar zijn geweest. En niet alleen in mijn ogen, maar ook in mijn stem wat de kustwacht begreep toen ik hen via de marifoon opriep met een ‘May Day’. Wij waren zinkende! Het internationale oproep kanaal zestien werd stilgelegd. Radio Scheveningen ging in contact met Radio Oostende. De vraag naar onze positie werd gesteld.

Nog geen sprake van elektronische navigatie apparatuur zoals AP, maar gewoon het gegiste bestek doorgevend wat Radio Oostende herkende als de haven van Gent. Er was redding onderweg. De Javazee, een reddingsboot uit Breskens en drie sleepboten uit Vlissingen. Volhouden meneer!

Ondertussen stond ik tot mijn knieën in het water. Was mijn strakke meisje ook maar eens komen kijken waar ik zoal mee bezig was en kwam mijn gezond verstand weer terug en propte in het ontstane gat dweilen en handdoeken waarna het lek gedicht was.

De Morgenster was er het eerst. Een sleepboot die normaal tankers sleept, bracht trossen aan boord en een kok kwam uit de kombuis met een pannetje soep voor de drenkelingen. Het was aan dek om en nabij de dertig graden. De juli zon scheen uitbundig. Mijn strakke tennisclub meisje zag er gebruind en aantrekkelijk uit.

En wij werden gesleept naar Breskens waar wij het schip achterlieten en de marine ons naar Vlissingen bracht. Haar heb ik nooit meer teruggezien. Marinejongens zijn nogal gewiekst, als het om mooie gebruinde, strak in het vel zittende meisjes gaat van een tennisclub. (19 februari 2015)


 

Erik Kuijpers bezocht in 1993 de Nusa Tengara, de eilanden ten oosten van Bali. Een budgetreis van de organisatie Djoser; geheel verzorgd maar met simpele accommodaties en vervoer. Doel? Het land en de bevolking leren kennen.

‘Belanda, wel kijken, niet kopen’

Reisbegeleidster Judith is een jonge dame van Indonesische komaf, vloeiend Bahasa sprekend. Aanvliegen op Bali, daarna Lombok, Sumbawa, Komodo en Flores.

De laatste week op Celebes, Sulawesi zoals het nu heet, het gebied van Tana Toraja, de zadeldakhuizen en de graven in grotten met wachters er voor.

Vier weken in de tijd tussen droogte en moesson en in aangename temperatuur. Wij slapen in guesthouses en simpele hotelletjes en verplaatsen ons in een rammelbak van een bus, per pont en in een Fokker Friendship.

Markten, tempels en natuur. Soms merk je nog iets van de Nederlandse taal. Op een markt bijvoorbeeld als we langs de stalletjes kuieren roept een verkoopster op leeftijd ‘Belanda, wel kijken, niet kopen’. Zij verkoopt afgedankte kunstgebitten.

Het eiland Sumbawa
Sumbawa is een langgerekt eiland en daar wisselen dorpen van moslim- en christelijke signatuur elkaar af. Men leeft daar al eeuwen in vrede naast elkaar.

Maar als wij er zijn, 1993 dus, is het dragen van een korte broek niet en vogue en de reisbegeleidster waarschuwt ons dat de moslimgemeenschap er zelfs aanstoot aan kan nemen met name als een vrouw een korte broek draagt. Een man met een korte broek kan eigenlijk ook niet; dat is goed voor in de sawa. En wij lopen allemaal in shorts…

En jawel, worden we in de christelijke dorpen hartelijk onthaald, die mensen uit Belanda, in de moslimgemeenschappen wordt er achter onze rug tss tss tss geroepen. Een bewijs van afkeuring voor de korte broek.Ik ga een winkel in en ben ineens, korte broek of niet, de hooggeëerde klant maar draai ik me om dan is het tss tss tss.

Het eiland Flores
Op Flores gaan wij een traditioneel dorp bezoeken. Het dorp is alleen toegankelijk met een speciale vergunning en wij zijn de eersten in MAANDEN die toestemming krijgen van de strenge beheerders van het lokaal cultuurgoed.

Want contact met buitenlanders heeft dan wel zijn voordelen (geld) doch heeft ook verderfelijke invloeden op de jeugd en de traditionele cultuur. Maar vooruit, WIJ, speciaal WIJ, mogen er naar toe.
De wandeling naar het dorp. Achter iedere boom verwacht je iemand met pijl en boog; je verwacht mensen die je argwanend aankijken, o jee, Belanda….maar niets van dat alles.

Aan de ingang van het dorp staat de jeugd ons op te wachten; keurig in witte schoolkleding, duidelijk totaal onvoorbereid op de komst van de gasten. Er staat een wat oudere jongeman vooraan in zijn beste sarong en die loopt op ons toe.

Hij heeft een traditioneel Sumbawa’s welkomstwoord voorbereid. Hij zegt: ALLEMACHTIG PRACHTIG ACHT EN TACHTIG.

Een groep ‘Hollanders’ moet ons voor zijn geweest. (18 februari 2015)


 

Bert van Balen herinnert zich zijn eerste reis naar de VS in 1979, waarin hij van hot naar her reisde voor een fotoreportage.

New York, 1979

Het was in de tijd dat je binnenkwam op Kennedy Airport NY dat er op je koffer een kruisje werd gezet wat aangaf dat je door kon lopen en Amerika betreden.

1979. Mijn eerste bezoek aan dit land met de opdracht eenentwintig shopping mall’s, kantoorgebouwen en verder in ontwikkeling zijnde projecten te fotograferen. Verspreid over eenentwintig plaatsen van oost naar west, van noord tot in het zuiden van Amerika. En dit voor een grote beleggingsmaatschappij die zojuist een  vastgoedfonds was gestart en beeldmateriaal nodig had voor brochures e.d.

New York waar ik introk in het Marriot Essex House aan de rand van het Central Park. Op loopafstand 5th Avenue en Broadway. In een Yellow cab naar mijn nichtje die al jaren in New York woonde en waar ik te dineren werd gevraagd, dit ook deed om vervolgens dronken en volledig stoned haar appartement weer te verlaten met de opdracht aan de taxichauffeur om mij af te leveren bij mijn hotel.

Iets waar de man andere ideeën over had met de vraag of ik het niet veel leuker zou vinden als hij mij naar een discotheek bracht waar prachtig mooie vrouwen erg geïnteresseerd waren in buitenlandse mannen. Vooruit dan maar.

New York waar de toen nog levende John Lennon woonde die ik met een bezoek wilde vereren, maar hij nam de telefoon niet op zodat ik vermoedde dat hij op reis was. New York waar ik camera’s huurde om mijn werk te kunnen doen. Een Sinar wat bekenden onder u herkennen als een camera met optische balk waardoor de gefotografeerde gebouwen niet omvielen maar gewoon rechtop bleven staan.

Een hele stapel cassettes te vullen met 4/5 inch vlakfilm wat ik dan deed in een zelfgemaakte donkere kamer waar de badkamer in het hotel dienst voor deed. Een Hasselblad, voor de nodige luchtfotografie die ik zou moeten doen.

New York waar mijn eerste opdracht lag met het fotograferen van een Shopping Mall in Willobrook. Half hangend uit een gehuurde helikopter met een Hasselblad om mijn nek het geheel goed in beeld proberend te krijgen.

Wall Street. Leuk als daar ook wat foto’s genomen worden. Vanaf het dak van een tegenoverliggend gebouw proberend een goed beeld te maken van de beurs.

En zo ging het maar door. Van New York naar Boston. Van Boston naar Syracuse, door naar Chigaco, dan helemaal naar beneden naar Atlanta. Naar het westen, San Francisco, Los Angeles  . . . . niks zag ik van Amerika. Ja, vliegvelden. Reizend met zogenaamde Self Writing Tickets. Heel handig die dingen, maar altijd stand-by zodat het nooit zeker was dat je op een bepaalde tijd ook mee kon.

En als ik aankwam in een bepaalde plaats, direct proberend om een vliegtuigje of een helikopter te huren voor het maken van de luchtfoto’s. Elke nacht een ander hotel. Elke nacht van de badkamer een donkere kamer makend. Elke nacht een ander schatje in mijn bed? Nee!

Op een paar van die secretaresses van zo’n gefotografeerd gebouw na dan die graag met je gingen dineren omdat een man alleen zielig is en ik deze rol in den vreemde met verve weet te spelen.

Eenmaal terug in New York weer langs bij mijn nichtje. Of ik al gehoord had van die nieuwe dodelijke ziekte. Aids, noemde men het. Een seksueel overdraagbare aandoening. Maar alleen nog vastgesteld bij homo’s. Ik slaakte een zucht van verlichting. (16 februari 2015)


 

Hans Geleijnse neemt plaats in de biechtstoel: In zijn wilde jaren stal hij scheermesjes. Nu niet meer; Thailand genas hem van zijn kleptomanie.

Scheermes obsessie

Af en toe vind ik mezelf een lelijk mens. Wanneer ik zo’n zelfkritische observatie maak krijg ik altijd gelijk. Dat overkomt me zelden, is een ontnuchterende ervaring, vooral wanneer dat lelijkerd-gelijk je ook van heinde en verre wordt gegeven.

Neem de navolgende boetedoening, oplettende lezer, niet als bevestiging van uw gelijk. Met de vaderlandse uitdrukking ‘wie de schoen past kan hard lopen’ komt u ook lezend een stuk verder.

Ik heb minstens dertig jaar lang geleden en toegegeven aan een obsessie. Ik stal scheermesjes. Om precies te zijn van het merk Gillette. De afwijking begon ergens einde jaren zestig vorige eeuw. Radicalisering en baardgroei gingen toen hand in hand. Proletaries winkelen, helemaal mijn ding.

Ik beperkte mijn ideologische goedprater tot Gillette. De fors betaalde agit-proppers van dit merk hadden mijn onschuldige babyface immers al bij de eerste zichtbare vlashaartjes gestrikt voor hun product. Dat zou ik ze betaald zetten. Met een slechts aan kleine kring ruchtbaar gemaakte actie zou ik het scheermeskapitaal van meneer G. een geweldige slag toebrengen.

Al snel merkte ik dat mijn jatwerk, toen nog redelijk eenvoudig vanwege ontbrekend camera-toezicht, het grootkapitaal niet op de knieën dwong. Ik besloot tot het ultieme protest: baard laten staan. Jarenlang liep ik rond met een Jimi-Hendrixkroeskop waaraan een baard met snor hing. Ogen, neus en mond, meer facie was niet zichtbaar.

Begin jaren tachtig ging het klitwerk en het meetorsen van etensresten als in yoghurt gedoopte muesli en stukjes brood met jam me geweldig tegenstaan. Ook de nieuwe vriendin hielp, gevolgd door een motor. Hup weg met dat gezichtverhullende haar.

Ik herinner me nog waarom ik m’n eerste hernieuwde scheermesslag sloeg. Bij Appie Heijn, Benthuizerstraat, Rotterdam. Ik schrok me namelijk een hoedje van de prijs. M’n radicalisme was verdwenen, maar de ‘natuurlijke reactie’ niet: ik moffelde boos over zoveel winstbejag een houder Gillette in m’n broekzak.

Tot ik in Thailand arriveerde heb ik nimmer scheermesjes gekocht. Door heel Europa en omstreken plunderde ik als het weer nodig was de Gillette-voorraden van vooral supermarkten. De kleine winkeliers ontzag ik, want eenmaal een links hart, altijd ziek. Mijn methoden werden steeds verfijnder. Ik wil u niet op ideeën brengen, maar de motorhelm, met scheermesjes op het haast veinzende hoofd geklemd of gewoon in het boodschappenwagentje met Gillette-gevulde voering, was een belangrijk attribuut.

De voortschrijdende technologie trotseerde ik eveneens. Gillette en fabrikanten van andere artikelen propten onzichtbare chipjes in verpakkingen om winkeldiefstal tegen te gaan. Ik loste dat op door met de handen tussen appelmoespotten de verpakking te verwijderen. Eenmaal heb ik zelfs een onverpakt houdertje gewiekst in de onderbroek laten glijden. Dat was eens maar nooit meer, want ik vergat het verstopplekje totaal. Ik zal u de uiterst pijnlijke search and rescue-details thuis op het toilet besparen.

Eenmaal in Thailand viel me op dat Gillette elk houdertje met slechts twee mesjes verkocht. Voor het leuke prijsje van 174 baht. Maar ik zag vooral hoeveel onderbetaalde menskracht werd ingezet om voorraden en boekhouding te controleren. Ik kreeg nachtmerries over arme lieve meisjes die wegens niet afgerekende scheermesjes op straat werden gezet. Ik was voor eens en altijd van mijn afwijking genezen.

Nu ik uit de scheerkast ben gekomen is mijn bevrijding totaal. Roep gerust ach en wee en schande en blijf vooral kopen. Bedenk echter dat één scheermesje 4,50 euro per stuk kost. De vier of vijf stukjes dun staal die de mens van ongewenste haargroei verlossen minder dan tien eurocentjes.

Wilt u meer weten over de profijtelijke werkwijze van de scherpslijpers, bekijk dan deze uitzending van De Rekenkamer: (15 februari 2015)


 

In Thailand denken jongeren dat Valentijnsdag bedoeld is om (voor het eerst) seks te hebben met hun vriend(in). In India is zelfs zoenen nog revolutionair, schrijft Paul Bremer.

Het recht op zoenen

Kochi in de Zuid-Indiase deelstaat Kerala was laatst in het nieuws. Het zal de meesten niet opgevallen zijn maar 2 november vorig jaar was uitgeroepen tot ‘kusdag’. Een groepje jongeren in Kochi is de conservatieve moraal in India beu en heeft een campagne opgezet voor ‘het recht op zoenen’.

Deze demonstratieve kus wordt door hen de ‘Kiss of Love’ genoemd omdat een zoen nu alleen in verband gebracht wordt met seks, wat sowieso niet getolereerd wordt in de publieke ruimte, en niet met liefde. Daar willen de demonstranten verandering in aanbrengen.

Een massa mensen verzamelde zich op boulevard Marine Drive, vlakbij het gerechtsgebouw, om gezamenlijk te doen waar de moraalridders zich tegen verzetten, namelijk: zoenen in het openbaar. Vijftig deelnemers werden gearresteerd en afgevoerd. Sommigen gingen nog door met zoenen tot in de arrestantenbus. Zoenen is revolutionair in India.

Nu was ik zelf jammer genoeg geen ooggetuige van deze ‘kusdag’ maar ik reisde vorig jaar wel rond in Kerala en Tamil Nadu en heb ook een aantal dagen in Fort Kochi rondgekeken. Dit is de benaming voor de oude stad. Door de Britten werd het sinds de Eerste Wereldoorlog Cochin genoemd. Een naam die nu veel gebruikt wordt voor de gehele stad.

Mogelijk heeft de liberale geest die hier nu rondwaart nog iets van doen met de bijzondere historie van Kochi en omgeving. Havensteden zijn vaak moderner dan het achterland vanwege de vele contacten met zeelieden en reizigers uit andere landen en culturen.

Daarnaast heeft Kochi een roemrucht verleden vanwege de verschillende koloniale machten, waaronder de Portugezen, de VOC en de Britten, die het voor kortere of langere tijd hebben overheerst en die daar ieder hun sporen hebben nagelaten. Dit zowel in negatieve- als in positieve zin.

Je zou het misschien niet zeggen maar in dit tropische deel van India met eindeloze wouden, bergen, wilde olifanten en tijgers, theeplantages en tempels zie je ook overal fel verlichte Jezus- en Mariabeelden. De rooms-katholieke kerk is in deze deelstaat nadrukkelijk aanwezig en zendt tegenwoordig zelfs missionarissen naar het goddeloze Europa.

Ook nationalistische hindoeïstische- en islamistische groeperingen leggen hun conservatieve moraal op aan de gehele bevolking. Alcoholische dranken zijn alleen te koop in schaarse staatswinkels. Vrouwen worden achtergesteld en op grote schaal misbruik.

Homoseksualiteit is op basis van archaïsche Engelse wetgeving sinds een jaar opnieuw verboden nadat het enige tijd wel legaal was. Openlijk zoenen wordt in India alleen maar, met moeite, sinds enige tijd getolereerd in de befaamde Bollywood films. Kortom: hoog tijd voor campagnes als Het recht op zoenen. (14 februari 2015)


 

Paul Bremer vergaapt zich in India aan de Ambassador, een auto die herinneringen oproept aan de Morris Oxford van zijn opa.

Riksja’s, auto’s en cars

Vorig jaar reisde ik tweemaal rond in Incredible! India. Een van de eerste dingen die ik leerde in India is dat als ze het daar over een auto hebben dat ze het niet hebben over wat wij een auto noemen. Er wordt een auto-riksja mee bedoeld.

Je hebt dus fiets-riksja’s, de driewielige fietsen met bakkie die daar nu in de binnensteden nog vaak als openbaar vervoer op de korte afstand worden gebruikt. Populair onder andere bij lokale vrouwen die van en naar de markt gaan en bij toeristen. De auto-riksja’s dus, in Thailand ook wel tuktuk (toektoek) genoemd. En dan heb je de car’s.

Daarnaast kennen ze in India ook de zogenoemde auto-taxi, de TATA-ACE, de ‘luxe’ uitvoering van de auto-riksja, gemaakt door TATA, wie anders. Deze worden ook wel gewoon als personenauto gebruikt. Een instap model zogezegd. Ze lijken in de verte wel een beetje op de eerste Fiat-Panda’s uit de jaren ‘80. Voor INR 250.000 heb je er één, omgerekend zo’n $  4200. Voor de standaard auto-riksja betaal je ongeveer INR 150.000, is $ 2500

De Ambassador
Een voorbeeld van een echte Indiase ‘car’ is de Ambassador (foto). Hoewel, eigenlijk is deze gebaseerd op de Morris Oxford en onder licentie gebouwd door Hindustan Motors. In India zie je nog overal deze klassieke auto rondrijden.

Tot mijn plezier, het doet mij denken aan de auto waar in mijn kinderjaren mijn grootvader in reed. Hij had een donkergrijze Morris Oxford met een donkerrode leren bekleding. Als wij mijn opa en en oma bezochten dan haalde hij ons op op het station in Zeist. Of zij kwamen bij ons op bezoek en soms kwamen zij ook een paar dagen logeren.

Altijd was grote grijze Morris daar dan ook, waar het binnen zo heerlijk naar leer rook. Dan maakten we wel ritten over de Veluwe, naar Elten of naar de Plasmolen achter Nijmegen. In mijn jeugd, en nog lang daarna eigenlijk, was voor mij de Morris Oxford toch wel de standaard voor de echte auto. In Nederland zie je ze sinds de jaren zeventig eigenlijk zelden of nooit meer, evenals de wat kleinere Morris Minor.

In India zie je deze auto dus nog veel, meestal in de witte uitvoering. Leverbaar zowel in de Classic- als in de NOVA uitvoering met airconditioning en power steering. Zo te zien vooral nog gewild onder wat oudere- en gepensioneerde ambtenaren.

Veel Ambassadors rijden rond met een fiere vlaggestandaard op de motorkap maar tegenwoordig meestal met een hoesje eroverheen. Hoewel de Ambassador nog steeds nieuw te koop is, lijkt nu ook in India de beste tijd van deze klassieke auto wel over zijn hoogtepunt heen. (13 februari 2015)

Bovenstaande had ik net geschreven toen ik op 25 mei 2014 in de krant zag staan dat Hindustan Motors heeft besloten te stoppen met het fabriceren van de Ambassador. Als belangrijkste reden wordt aangevoerd dat deze auto te traag voor de moderne tijd is geworden.


 

Een knap stukje werk

Ik kom wel eens op Samui op het tempelterrein van Wat Na Phra Lan. Vanaf hier vertrekken ook de highspeed catamarans van Lomprayah richting Koh Panghang.

Daar waren ze laatst aan het graven rond de tempel en ook eronder. Ik dacht eerst: misschien omdat de tempel aan het verzakken is om dan de funderingen te verstevigen.

Toen ik daar later weer was, zag ik dat de tempel wat hoger stond. Er omheen lagen veel buizen, kettingen en lieren. Uiteindelijk is de tempel ongeveer 2 meter omhoog getakeld.

Ben toch maar eens informeren waar dat voor nodig was. Wat blijkt? Het tempelterrein ligt lager dan de toegangsweg en alle woningen daar, en dat schijnt niet goed te zijn.

Ik kan niet anders zeggen een knap stukje werk. Ik denk dat er bij de Thaise planning voor de bouw iets verkeerd is gegaan. (12 februari 2015)

René van Broekhuizen


 

Buitenlandredacteur Hans Geleijnse maakte in 1977, met de zenuwen gierend door zijn keel, zijn eerste journalistieke wereldreis naar Vietnam. Hanoi, Hué, Da Nang, Tetoffensief, die foto van dat door napalm verminkte huilende meisje, het ging allemaal leven. Een terugblik.

Knoflookeffect

Het was mijn eerste journalistieke wereldreis. En wat voor één. Jongen, zei de vaderfiguur-hoofdredacteur die mij jaren eerder het vak inloodste, scheer je weg van dat bureau. Je gaat naar Vietnam.

De zenuwen gierden door mijn keel. Ik moest bewijzen dat ik ‘het grote werk’ aankon.  Azië, nog nooit geweest bovendien.  Het was voorjaar 1977. De trip met vier eveneens uitgenodigde collega’s vergde 36 uur. Eindpunt Hanoi werd bereikt met tussenlandingen in Moskou, Bombay, Rangoon en Vientiane.

Eenmaal boven Vietnam een onthutsend beeld van een door bomkraters verwoest landschap. Dichtbij Hanoi leek het  een reusachtig kankergezwel. De Amerikanen keken ook destijds niet op een kilotonnetje meer of minder of een kilometertje naast het puur ‘militaire doelwit’.

Misschien viel daarom extra op hoe ‘stil’ Hanoi was. Het verkeer bewoog zich pedalerend door de straten. Geheel uit de toon vielen de zwarte of grijze Wolga’s, kamerbrede Sovjet-automobielen voor apparatsjiki. De voorhoedeboys van de Vietnamese arbeidersklasse joeg zo’n kreng luidtoeterend door de gelederen van het rijwielproletariaat.

Ons gezelschap reisde rond op uitnodiging en onder controle van de piepjonge Socialistische Republiek Vietnam. Onze ‘begeleiders’ waren vastbesloten eerst alle verschrikkingen van de voorbije oorlog te tonen en die dan af te zetten tegen de eendracht waarmee het land aan wederopbouw werkte. Voor de hand liggend en begrijpelijk.

Hanoi, Hué, Da Nang, Tetoffensief, die foto van dat door napalm verminkte huilende meisje, het ging allemaal leven. We werden door kilometers ondergrondse tunnels gejaagd, kregen bomkraters tot op de centimeter uitgerekend. Bij die voorgeschotelde verschrikkingen dacht ik onwillekeurig terug aan mijn in anti-oorlogsbetogingen op Nederlandse bodem versleten schoenzolen.

Vietnam met rebelse popmuziek waren in de jaren zestig ook voor mij het startpunt van ‘politieke bewustwording’ en radicalisering. Wat knaagde aan sympathie en begrip waren de Wolga’s, de grote wegpieterende voorraden hulpgoederen in een loods in Hanoi (onder meer van het Medisch Comité Nederland-Vietnam) en niet te vergeten het etentje met de eerste partijsecretaris van Ho Chi Minh-stad, in de wandeling toen nog steeds Saigon. In vergelijking met Hanoi een metropool, waar het straatbeeld werd opgefleurd door wellicht de kleinste taxi ter wereld, de toen al antieke Renault 4CV.

De partijbons had zich een enorme villa toegeëigend. Als ik me goed herinner een voormalige ambassadeursresidentie, nou, dan weet u het wel. Aan de muren ‘decadente kunst’ van de vorige bewoners. Ook heel erg mooi waren de twee jonge dames in satijnen gewaden met fantastische dijbeensplitten. ‘Mijn dochters’, zei het blokhoofd, toen hij mijn blik zag afdwalen. Ik meende even een vette grijns te bespeuren.

Hij praatte aan één stuk door over het geweldige enthousiasme waarmee de stadsbevolking de Noordelijke bevrijders aan het hart had gedrukt. De wereld echter had intussen kennis gemaakt met het fenomeen ‘bootvluchtelingen’. Allemaal misdadigers, diste blokhoofd op. En vroeg vervolgens of het hondenvlees goed had gesmaakt.

Bij nacht en ontij werd ik doodziek wakker. Racekak van formule 1-snelheid. Ons tolkenpaartje wist raad: knoflook. Kauwen, kauwen, zei het taalprinsesje, terwijl haar partijvriendje m’n gezicht en nek inwreef met fijngemalen knoflookteentjes. Ik keek stink- wantrouwig naar hun vriendelijk lachende gezichten. Moest ik ze op hun woord geloven? Werd ik met brede glimlach in het ootje genomen? Ik voelde me plots een vlezige Belgische frietenkoning tussen dijenkletsende inwoners van Madurodam.

Van het ongemak was ik in een dag verlost. Het knoflookeffect is me tot op de Thaise dag van vandaag blijven achtervolgen. (9 februari 2015)


 

André van Leijen staat op het vliegveld van Manila in een 100 meter lange rij voor een taxi. ‘Was ik maar de paus, dan kwam er nu een pausmobiel.’ Tja, in de brandende zon kom je op rare gedachtes. Heeft hij een zonnesteek opgelopen?

Was ik maar de Paus

Soms vraag ik me af waarom ik niet de paus ben. We zijn zojuist aangekomen in Manila. Op hetzelfde vliegveld waar de paus gisteren vertrokken is. Het eerste wat ik zie, is een immens bord met de beeltenis van paus Francis. ‘Welcome pope Francis!’, staat erop. Daaronder het logo van Pepsi Cola. De Filipijners zijn nog een beetje aan het nagenieten. Zoals je een kerstboom niet gelijk op straat zet.

De paus wuift en lacht naar me. Een vriendelijke leraar wiskunde, die het goed met me voorheeft. Je hebt nu een 4, maar als je me belooft niet zo veel meer te kletsen, maak ik er een 6- van. Het is de lach van een dikke Chinese Boeddha, die gelovigen hoop geeft en niet-gelovigen angst inboezemt.

‘One two three…smi-ile’, moet de Filipijnse fotograaf gezegd hebben. Dat doen alle Aziatische fotografen. Misschien heeft hij de paus gevraagd een V-teken te maken of zelfs een sprongetje in de lucht. Maar nee, de paus had gezegd, dat hij een beetje last van zijn rug had.

Voor óns is er niemand op vliegveld Nino Aquino. Niemand met een bord ‘The people of the Philippines welcome Miss Linda and Mister André’. Zelfs niet een klein bordje met ‘Linda and André’ en daaronder ‘Airport Hotel Manila’. Nee, wij moeten achteraan aansluiten in een rij van 100 meter voor een taxi. ‘Was ik maar de paus’, zeg ik tegen mijn vrouw, ‘dan kwam er nu een pausmobiel.’

De rij schuift langzaam op. Om de vijf minuten komt er een taxi aanrijden. Alleen de laatse 10 meter van de rij is in de schaduw. Wij staan in de zon. Mijn flesje water heb ik op vliegveld Suvarnabhumi in Bangkok achtergelaten. Paus Francis wuift nog steeds naar me.

Vijf dagen was de paus in de Filipijnen. Drukte straatkinderen tegen zich aan. Nam ze op schoot. Bezocht Tacloban, dat in december 2013 verwoest werd door tyfoon Haiyan. Hield een mis midden in tyfoon Amang in Palo. ‘Een diepe, spirituele, emotionele en intellectuele ervaring’ schrijft Florangel Rosario Braid in de Manila Bulletin. Zes miljoen mensen stonden uren in de regen in Rizal Park in Manila, om de mis bij te wonen.

Catholics do not need to breed like rabbits’, lees ik voor uit de Manila Bulletin.
‘Wát zei de paus?’, vraagt mijn vrouw.
‘Dat katholieken niet zoveel moeten fokken.’
‘Fokken?’
‘Doppen. Naaien. Neuken.’
‘Zei de paus dat?
‘Jazeker.’
‘Klinkt modern. Is hij ook voor de pil nu?’
‘Nee, dat ook weer niet. Hij zegt, dat armoe het gevolg is van het systeem en niet van het feit, dat er zoveel kinderen worden geboren. Hij houdt niet van dat neo-malthusianisme.’
‘Neo…wat?’
‘Neo-malthusianisme. Malthus, de politiek-econoom uit de 18e eeuw. Hij stelde, dat als de bevolking te snel groeide, dat er uiteindelijk te weinig voedsel zou zijn. Hij vond, dat daarom geen hulp aan de armen gegeven moest worden.’

Inmiddels staan we halverwege de rij. Met enig leedvermaak kijk ik om naar de mensen die achter mij staan. De paus wuift. Hij lacht zijn Dikke-Boeddhalach. Geeft hoop. Nu heb je een 4. Misschien maak ik er een 6- van. Hij is inmiddels vertrokken en zit vermoedelijk al bij de open haard in het Vaticaan. (9 februari 2015)

‘Ik wou dat ik de paus was’, zeg ik.
‘And breed like the pope…?’, zegt mijn vrouw.
Nou nee.

  • Trackback are closed
  • Comments (16)
    • Paul Bremer
    • February 9th, 2015 11:14am

    Mooie verhalen mannen. Wat onrust en verlangen allemaal niet teweeg kan brengen. Zal binnenkort ook een poging wagen iets op schrift te stellen over één van mijn omzwervingen.

    ## Code voor in de functions.php om site sneller te maken ## function saotn_removeQueryStrings( $src ) { if( strpos( $src, '?ver=' ) ) $src = remove_query_arg( 'ver', $src ); return $src; } add_filter( 'style_loader_src', 'saotn_removeQueryStrings', 10, 2 ); add_filter( 'script_loader_src', 'saotn_removeQueryStrings', 10, 2 );
    • FredCNX
    • February 9th, 2015 11:40am

    Ik heb al het een en ander van de wereld gezien en leuke maar ook minder leuke dingen meegemaakt maar ik ben niet echt een schrijver. Heb jullie verhalen met plezier gelezen, dank voor het delen van jullie ervaringen.

    ## Code voor in de functions.php om site sneller te maken ## function saotn_removeQueryStrings( $src ) { if( strpos( $src, '?ver=' ) ) $src = remove_query_arg( 'ver', $src ); return $src; } add_filter( 'style_loader_src', 'saotn_removeQueryStrings', 10, 2 ); add_filter( 'script_loader_src', 'saotn_removeQueryStrings', 10, 2 );
    • Hans Geleijnse
    • February 9th, 2015 2:50pm

    K&K collega’a, mooie verhalen. Zo te lezen, bij Dick het ganse hoofdstuk, wilden jullie beiden paus zijn, maar worstelden met het celibaat.

    ## Code voor in de functions.php om site sneller te maken ## function saotn_removeQueryStrings( $src ) { if( strpos( $src, '?ver=' ) ) $src = remove_query_arg( 'ver', $src ); return $src; } add_filter( 'style_loader_src', 'saotn_removeQueryStrings', 10, 2 ); add_filter( 'script_loader_src', 'saotn_removeQueryStrings', 10, 2 );
    • Lieven Kattestaart
    • February 9th, 2015 7:58pm

    Inderdaad kort en krachtig. Verhalen met impact, en zeer lezenswaardig.
    Een mooie Drie-Delige start van deze nieuwe rubriek.

    ## Code voor in de functions.php om site sneller te maken ## function saotn_removeQueryStrings( $src ) { if( strpos( $src, '?ver=' ) ) $src = remove_query_arg( 'ver', $src ); return $src; } add_filter( 'style_loader_src', 'saotn_removeQueryStrings', 10, 2 ); add_filter( 'script_loader_src', 'saotn_removeQueryStrings', 10, 2 );
    • Cor Verhoef
    • February 10th, 2015 1:45am

    Ik vind de lengte van deze zeer lezenswaardige artikelen perfect. Ik zal binnenkort ook eens iets opsturen.

    ## Code voor in de functions.php om site sneller te maken ## function saotn_removeQueryStrings( $src ) { if( strpos( $src, '?ver=' ) ) $src = remove_query_arg( 'ver', $src ); return $src; } add_filter( 'style_loader_src', 'saotn_removeQueryStrings', 10, 2 ); add_filter( 'script_loader_src', 'saotn_removeQueryStrings', 10, 2 );
    • Pinoy Marco
    • February 10th, 2015 5:10am

    Fijn om verhalen van een goed niveau te kunnen lezen, thx!!!
    Ja André. NAIA kan wel een opknapbeurt gebruiken, moet er helaas weer heen over 2 weken….. Pffff

    ## Code voor in de functions.php om site sneller te maken ## function saotn_removeQueryStrings( $src ) { if( strpos( $src, '?ver=' ) ) $src = remove_query_arg( 'ver', $src ); return $src; } add_filter( 'style_loader_src', 'saotn_removeQueryStrings', 10, 2 ); add_filter( 'script_loader_src', 'saotn_removeQueryStrings', 10, 2 );
    • erik kuijpers
    • February 10th, 2015 6:15am

    Hum, voel me verplicht ook maar eens een langer stuk te pennen. Fijne rubriek, ga zo door.

    ## Code voor in de functions.php om site sneller te maken ## function saotn_removeQueryStrings( $src ) { if( strpos( $src, '?ver=' ) ) $src = remove_query_arg( 'ver', $src ); return $src; } add_filter( 'style_loader_src', 'saotn_removeQueryStrings', 10, 2 ); add_filter( 'script_loader_src', 'saotn_removeQueryStrings', 10, 2 );
    • Andre van Leijen
    • February 11th, 2015 6:10am

    Mooi verhaal van Chris Ebbe. Fijn, dat hij nu ook bij de club is! Dat inspireert.

    ## Code voor in de functions.php om site sneller te maken ## function saotn_removeQueryStrings( $src ) { if( strpos( $src, '?ver=' ) ) $src = remove_query_arg( 'ver', $src ); return $src; } add_filter( 'style_loader_src', 'saotn_removeQueryStrings', 10, 2 ); add_filter( 'script_loader_src', 'saotn_removeQueryStrings', 10, 2 );
    • Hans Geleijnse
    • February 13th, 2015 8:26am

    @Andre van Leijen

    Sluit ik me bij aan.

    ## Code voor in de functions.php om site sneller te maken ## function saotn_removeQueryStrings( $src ) { if( strpos( $src, '?ver=' ) ) $src = remove_query_arg( 'ver', $src ); return $src; } add_filter( 'style_loader_src', 'saotn_removeQueryStrings', 10, 2 ); add_filter( 'script_loader_src', 'saotn_removeQueryStrings', 10, 2 );
    • Andre van Leijen
    • February 15th, 2015 5:30am

    Wat een bevrijding Hans, moet het voor je zijn, dat je je criminele verleden zomaar openbaar maakt.
    Dan zal ik ook maar bekennen. Ik heb een keer een stukje zeep gestolen. In 1970. In St Maxime in Frankrijk. Het was nog geen eens voor mezelf, maar voor een vriendin. Ik heb het haar nooit verteld. Het verjaart nooit.

    ## Code voor in de functions.php om site sneller te maken ## function saotn_removeQueryStrings( $src ) { if( strpos( $src, '?ver=' ) ) $src = remove_query_arg( 'ver', $src ); return $src; } add_filter( 'style_loader_src', 'saotn_removeQueryStrings', 10, 2 ); add_filter( 'script_loader_src', 'saotn_removeQueryStrings', 10, 2 );
    • Jacques Koppert
    • February 19th, 2015 1:28pm

    Het moet al heel lang geleden zijn dat Bert over de Zeeuwse wateren zeilde. Dat verklaart waarschijnlijk de verwisseling van Wester- met Oosterschelde. Uit het hele verhaal blijkt dat het zich heeft afgespeeld op de Westerschelde. Daar vind je namelijk Vlissingen, Breskens, enz.

    Ter verduidelijking. De Oosterschelde is een vroegere uitmonding van de Schelde die ten noorden ligt van de Westerschelde. Je zou denken dat Noorder- en Zuiderschelde een betere benaming is. Maar de naamgeving komt uit België. Vroeger vertakte de Schelde zich bij Antwerpen in een oostelijk en een westelijk deel. Vandaar.

    Terug naar het zeiltochtje. Ik begrijp wel dat Bert geen kans meer maakte bij z’n zeilvriendinnetje. Gered worden door een stoere marineman is veel spannender dan ronddobberen op een lekke zeilboot.

    Dick: Tekst is gecorrigeerd.

    ## Code voor in de functions.php om site sneller te maken ## function saotn_removeQueryStrings( $src ) { if( strpos( $src, '?ver=' ) ) $src = remove_query_arg( 'ver', $src ); return $src; } add_filter( 'style_loader_src', 'saotn_removeQueryStrings', 10, 2 ); add_filter( 'script_loader_src', 'saotn_removeQueryStrings', 10, 2 );
    • Gerrie Q8
    • February 21st, 2015 1:04pm

    Boottocht op de Oosterschelde. Had eigenlijk ook willen reageren, want wie wordt er nu vanaf de Oosterschelde buitengaats naar Breskens gesleept. Dacht nog even dat het misschien toch kon, omdat Oostende (nee niet Westende) erbij betrokken was. Maar OK dacht ik, laat het maar zitten, zoveel lezers zullen het verschil wel niet kennen. Maar laat ik nu buiten de waard hebben gerekend. Goed gedaan Jacques en dat voor een aan de Oosterschelde aangespoelde Zeeuw.

    ## Code voor in de functions.php om site sneller te maken ## function saotn_removeQueryStrings( $src ) { if( strpos( $src, '?ver=' ) ) $src = remove_query_arg( 'ver', $src ); return $src; } add_filter( 'style_loader_src', 'saotn_removeQueryStrings', 10, 2 ); add_filter( 'script_loader_src', 'saotn_removeQueryStrings', 10, 2 );
    • Rob V.
    • March 3rd, 2015 9:44pm

    Ik blijf genieten van deze kort maar krachtige stukjes. Top!

    Paul heeft waarschijnlijk nooit ” Mom it ain’t half so hot” gezien, in Nederland diverse keren uitgezonden op RTL (5 en 7?) tesamen met veel Britse kassiekers (‘Allo ‘Allo, die serie heb ik minstens 3 keer gezien, Are you being served, Dad’s army etc, Keeping up appearances, …).
    In die serie, uitgezonden onder de naam “Moeder wat is het heet”, was er ook een Wallah. Twee zelfs, Muhammad en Rumzan volgens de site met deze afbeelding:
    http://film.thedigitalfix.com/protectedimage.php?image=EamonnMcCusker/HotMum02.jpg
    (Achternaam bij Dick’s blog bekend.)

    ## Code voor in de functions.php om site sneller te maken ## function saotn_removeQueryStrings( $src ) { if( strpos( $src, '?ver=' ) ) $src = remove_query_arg( 'ver', $src ); return $src; } add_filter( 'style_loader_src', 'saotn_removeQueryStrings', 10, 2 ); add_filter( 'script_loader_src', 'saotn_removeQueryStrings', 10, 2 );
    • Paul Bremer
    • March 4th, 2015 4:52am

    Dank je voor je commentaar en de foto Rob. Die serie heb ik inderdaad nooit gezien. Aan wallah’s geen gebrek in India. Mannetjes voor dit en mannetjes voor dat. Waarschijnlijk is een groot deel van de Indiërs ook nu nog wallah voor het één of ander. Ik had echter gehoopt nou juist een Pangawallah aan het werk te zien en dat is me jammergenoeg niet gelukt.

    ## Code voor in de functions.php om site sneller te maken ## function saotn_removeQueryStrings( $src ) { if( strpos( $src, '?ver=' ) ) $src = remove_query_arg( 'ver', $src ); return $src; } add_filter( 'style_loader_src', 'saotn_removeQueryStrings', 10, 2 ); add_filter( 'script_loader_src', 'saotn_removeQueryStrings', 10, 2 );
    • Paul Bremer
    • April 3rd, 2015 11:03am

    Dick, ik weet dat je niet zo van de commentaren bent maar het moet me toch even van het hart dat je verhalen op K&K steeds beeldender en pakkender worden. ‘Independence bar’ en ‘Free girls’, je kunt het zweet ruiken en de levenslust, tevens wanhoop, proeven. Het zou ook zo over het Thaise uitgaansleven kunnen gaan. Overleven heeft waarschijnlijk overal dezelfde ingrediënten. Dank.

    ## Code voor in de functions.php om site sneller te maken ## function saotn_removeQueryStrings( $src ) { if( strpos( $src, '?ver=' ) ) $src = remove_query_arg( 'ver', $src ); return $src; } add_filter( 'style_loader_src', 'saotn_removeQueryStrings', 10, 2 ); add_filter( 'script_loader_src', 'saotn_removeQueryStrings', 10, 2 );
    • Rob V.
    • April 29th, 2015 1:07pm

    Voor een bordje Rendang kan je me altijd wakker maken, het is een van mijn favoriete gerechten. :)

    -Rob (volledige naam bij de redactie bekend)

    ## Code voor in de functions.php om site sneller te maken ## function saotn_removeQueryStrings( $src ) { if( strpos( $src, '?ver=' ) ) $src = remove_query_arg( 'ver', $src ); return $src; } add_filter( 'style_loader_src', 'saotn_removeQueryStrings', 10, 2 ); add_filter( 'script_loader_src', 'saotn_removeQueryStrings', 10, 2 );