Haagsche Brieven

Den Haag 19e eeuw
XXXXV

Totdusver is de stroom van Siameesche olifanten en huiskronen niet bijzonder weelderig en overvloedig geweest. Van het oogenblik af dat de mare werd verspreid, hoe Chulalongkorn in ons land zou komen, gingen vele harten sneller kloppen van blijde verwachting. Zoo’n Oosterling— dacht men — zal wel royaal zijn met lintjes. En zoo is een mensch niet, of hij heeft graag zoo’n gekleurd dinsigheidje op de linker boven-lapèl van zijn jas. Ook in dit opzicht heeft men in Dan Haag vele smachtenden.

En nu bestaat er tegen storting van idem zooveel, wel gelegenheid om een zonnig leeuwtje of een drankje of een bolivartje of een Portugeesch aardigheidje te krijgen, maar toch zijn de prijzen nogal duur. De agenturen in kruisjes zorgen, dat de klad er niet inkomt. Het bezoek van een Oostersch vorst stort in den regel een heelen zak met lintjes over de menschen uit, net als in De Genestet’s liedje van het land van Kokanje.

Het schijnt, dat Z.M. Chulalongkorn in deze ietwat is tegengevallen. Men herinnert zicht de blijde dagen der komst van Nasr-Eddin van Perzië, en hoe er toen gegrabbeld werd. Doch zoo is de Siamees niet. Zijn consuls en andere zaakwaarnemers schijnen in die richting minder te ‘speculeeren’ op de ijdelheid van de blanke menschen,– wat aan het gezag van Siam slechts ten goede kan komen.

Natuurlijk heb ik Chulalongkorn tijdens zijn verblijf in Den Haag herhaaldelijk gezien. De mensch is nu eenmaal zoo, dat hij zich niet genoeg verzadigen kan aan het schouwspel van een Majesteit; niet zoo een met ‘n kroon van papier-mâché op uit ‘Hamlet’ of een ander toneelding, maar van een heuschelijke!

De menschen hier waren eenvoudig dol op de kans om den kleine, bruine man, die te Bangkok Heer is, te aanschouwen. Overal, waar de stoet zou passeeren, stond men opeengepakt als pekelharingen. Bij zoo’n gelegenheid verbaast men zich weer over het onnoemelijk getal lieden, die op alle uren van den dag tijd hebben om urenlang niets uit te voeren! Arbeiders, boodschapmeisjes, moeders, schoolkinderen, dames en heeren, bureau-hengsten, enz. enz. wachtten daar geduldig tot de stoet zou passeeren.

In het Oosten, waar lanterfanten iets gewoons is, laat zich dat denken, evenals in Spanje en Italië, waar de menschen eveneens luieren. Maar hier in het drukke, woelige, ‘democratische’ Westen! ‘t Is en blijft toch een typisch verschijnsel.

De koning van Siam is het bekijken wel waard. In tegenstelling van de Perzische grootheden, die ons nu en dan met hun verschijning komen verblijden, is hij een aangename, sympathieke, vriendelijke figuur. Op zijn bleekbruin gelaat, dat sterk aan het Mongeelsche type doet denken,– met een gitzwart kneveltje onder den breeden neus — ziet men heuschheid, goedhartigheid en mildheid van opvattingen duidelijk geteekend. Zijn fraaie, groote, donkere oogen zien met eerlijken, geestigen blik in ‘t rond. Zijn manier van groeten is hoffelijk en voorkomend. Chulalongkorn is allerminst een vies, goor, grimmig potentaatje, zoals wij er in vroeger dagen uit het Oosten wel eens hebben zien komen. Hij is een beschaafd man en boezemt werkelijk op het eerste gezicht groote sympathie in.

Die indruk sprak ook uit de hartelijke jubelkreten, waarmee men hier en daar het rijtuig met den vreemden bezoeker begroette. In het algemeen blijken de Siameesche heeren heel andere lieden dan velen dachten. Ondanks het deugdelijk onderwijs in de aardrijkskunde, op de school genoten, wisten van de tien lui misschien maar twee of drie bij benadering, wat Siam eigenlijk voor een land is, laat staan nog waar ‘t precies ligt. Sommigen dachten een hoop wilden te zullen zien — menscheters, gevaarlijke wezens, voor wie men had op te passen.

Wanneer deze koning dus de wereld heeft willen toonen, dat hij geen wilde is, maar het sympathieke hoofd van een zich beschavende Staat is, dan heeft hij dat doel volkomen bereikt. Speciaal tegenover Engeland kan dit zijn nut hebben. Want Chulalongkorn’s kroon is geen licht! Van twee zijden bestoken de Westerlingen hem en er is heel wat staatsmanswijsheid voor hem noodig, om uit de grijpklauwen der Westersche ‘beschaving’ te blijven!

Op het diner te Amsterdam moet hij zich bijzonder warm over Holland hebben uitgelaten, — hij, de buurman van het reusachtige Rijk van Insulinde, die natuurlijk met meer dan gewonen eerbied voor Nederland zal vervuld zijn. Ik acht het zeer verstandig en nuttig, dat men den Siameesche vorst beleefd en behoorlijk heeft ontvangen. Dat is zoowel een daad van wijsheid als van gepaste heuschheid tegenover een land, dat zoo in de nabijheid ligt van ons koloniaal bezit in de Oost.

Vermoedelijk hebben mijne stadsgenooten minder over deze zijde van de kwestie nagedacht dan zich verheugd in een extra-pretje. U hebt gelezen, hoe men zich zelfs te middernacht aan één der stations verdrong om den vreemden vorst nog maar eens te zien. Speciaal bij het ruwe weêr, dat vroeger dan anders het zomerseizoen afbreekt, gaf dit eene welkome afleiding. (Nieuwsblad van het Noorden, 12 september 1897)

  • Trackback are closed
  • Comments (0)
  1. No comments yet.