Dagboek van een ziekenbezoek

 

Dick van der Lugt brengt een bezoek aan zijn ‘zielige zusje’ in het ziekenhuis van Nakhon Nayok. Over een disfunctionele ‘schoonfamilie’, verpleegsters in smetteloos en gestreken uniform en een markt waarbij de Winkel van Sinkel verbleekt. Dit verhaal is ook als pdf beschikbaar. Klik hier.

Het eerste wat mij opvalt: de vele No smoking opschriften. Het tweede wat mij opvalt: lege ziekenzalen. Het derde wat mij opvalt: vriendin heeft pijn en zegt dat ook.

Het is zondag, 18 januari 2015 (2558). Ben op ziekenbezoek in Nakhon Nayok, hoofdstad van de gelijknamige provincie, ruim 100 km van de Stad der Engelen, zoals het begin van Bangkok’s lange naam luidt. Engelen? Stinkende autostad, zullen ze bedoelen.

Vriendin (39) is voor een heupoperatie opgenomen in het provinciaal ziekenhuis, een ziekenhuis dat samen met lokale kliniekjes 251.064 bewoners moet bedienen (2002) . Ze kon de laatste maanden nauwelijks lopen. Massages brachten slechts tijdelijke verlichting. Dinsdag werd ze geopereerd. Ze toont me het verband aan de linkerzijde van de heup: 20 cm lang, da’s alles. Op haar mobieltje bekijk ik twee röntgenfoto’s. Het bekken herken ik wel, maar verder zie ik vlekken. Je moet voor zo’n foto een getraind oog hebben om te weten wat je ziet.

Ze heeft veel pijn, zegt ze. Da’s opvallend, want normaal klaagt ze nooit als ze pijn heeft. Ik zie het en moet om bevestiging vragen.

Gemene abcessen
Drie jaar geleden werd ze geveld door gemene abcessen in haar hersens. Ik kwam na een vakantie in Nederland terug en trof een vleugellam vogeltje aan. Ze deed me denken aan mijn vader op zijn sterfbed. Net als mijn vader onverstaanbaar; zij als gevolg van schimmel in haar mond.

Na een korte ziekenhuisopname werd ze naar huis gestuurd. Er blijven was te riskant vanwege haar verzwakt immuunsysteem, want het ziekenhuis heeft , zoals veel andere in Thailand, last van micro-organismen. Alle patiënten krijgen daarom standaard anti-biotica.

Ik heb haar maanden als ziekenbroeder bijgestaan. Met alles (geen details) moeten helpen. Nog steeds is ze op medicatie. De schade is blijvend: bijna blind aan één oog, het thermometertje in haar hoofd werkt niet, waardoor de zweetdruppels al snel op haar gezicht parelen, vaak hoofdpijn, een trage motoriek en de laatste maanden ook nog eens kreupel.

Ik noem haar ‘mijn zielige zusje’. Jarenlang heeft de familie van haar verdiensten geprofiteerd (zeg maar: heeft haar uitgebuit). Alle uitbreidingen van het ouderlijk huis zijn door haar betaald. Dat eerste huis op palen is nu een huis in een huis. Vorig jaar betaalde ze de oogoperaties van haar moeder.

Broer droeg geen satang bij. Een nietsnut en een uitvreter met een agressieve dronk. Gevaarlijke chauffeur, ook als hij nuchter achter het stuur zit. Zes vrouwen zwanger geschopt. Alimentatie? Nooit van gehoord. Penis versterkt met siliconen. Zag hem eens een pistool tegen het hoofd van een ex-vriendin zetten. Toen hij een keer met spullen begon te gooien, heb ik mijn koffers gepakt en ben stante pede vertrokken. Zet er nooit meer een voet over de drempel.

Over de overige familieleden zwijg ik maar. De familie vormt geen uitzondering in Thailand. Er zijn vele van dit soort disfunctionele Brutto, Sporchi et Cattivi families. Ze deinzen er niet voor terug om hun dochters naar Pattaya of Phuket te sturen om horizontaal geld te verdienen voor de bouw van een huis waarmee ze de ogen kunnen uitsteken van de buren. Ik bedenk het niet, ik las het in Miss Bangkok, memoirs of a Thai prostitute (zie de boekbespreking op mijn blog). Ik kan er geen compassie voor opbrengen.

Onderweg naar Nakhon Nayok
Zondagochtend had ik mijn pied à terre in Bangkok verlaten. Nam een taxi naar Mor Chit, het grote busstation van waaruit bussen naar het Noorden en Noordoosten vertrekken. Had de indruk dat de chauffeur niet de kortste route nam. Halverwege vroeg hij mij of ik naar de market ging. Chatuchak weekendmarkt dus. Logisch gedacht want die markt is een populaire bestemming van farang. Dat verklaarde de andere route. Ik had direct als bestemming het busstation moeten opgeven. Rekende 103 baht af.

Ik had geluk. De bus naar Aranyaprathet stond op het punt van vertrekken. De reis ging snel. Weinig oponthoud onderweg. Passeerde bekende plekken, al jaren niet meer gezien. De oude luchthaven Don Mueang waar ik 15 jaar geleden mijn eerste stappen op Thaise bodem zette; National Memorial, nooit van dichtbij bekeken; Future Park, zo’n gigagroot winkelcentrum waar de Thaise grote steden in grossieren, en het wordt nog groter; Rangsit, waar ik een tijd heb gewoond; Dream World, een atttractiepark, waar ik nooit ben geweest, meer iets voor kinderen; het ziekenhuis van Ongkharat, waar de ogen van vriendin wel eens zijn onderzocht.

Nog voordat de bus het busstation bereik, stap ik uit. Da’s zo’n aardig kenmerk van het interlokaal vervoer: je kunt uitstappen op verzoek. De bus slaat linksaf, ik loop rechtdoor. Voor het ziekenhuis voorzichtig de snelweg oversteken. Het verkeer raast in afleveringen langs dankzij verkeerslichten een stukje verder.

Lege bedden
Zusje (37) haalt me op bij de portiersloge. Ze vertelt als eerste dat ze slecht slaapt en last van haar rug heeft. Nou dat weten we dan, de volgende dagen hoor ik haar er niet meer over. Zusje heeft een oogje op me en ik vind haar ook een lekker ding. Als ze me belt, eindigt het gesprek steevast met I want take care you. Hoe ze zich dat voorstelt, weet ik niet, want ik zal mijn zielige zusje nooit verlaten.

Toen ik nog in het ouderlijk huis woonde, zoenden we stiekem. Dat wil zeggen als tomboy, haar lesbische vriendin, niet in de buurt was. Die scheen nogal jaloers te zijn. Ik dacht dat ze uit elkaar waren, maar die nacht sliepen ze lepeltje lepeltje in het ziekenhuisbed naast me. Tomboy kijkt altijd gemelijk; ze levert bepaald geen bijdrage aan Thailand’s image als Land of Smiles.

Eenmaal stond zusje half uitgekleed voor me. We hadden wat gedronken, ze had me met een hoofdknik naar haar kamer gedirigeerd. Tomboy was er niet, mijn vriendin sliep al. Maar ik had geen condoom bij de hand en zij, moeder van twee kinderen, vond gezinsuitbreiding niet gewenst. Was er niet rouwig om. Een vluggertje bevredigt niet. Haar kittige borstjes daarentegen wel.

Het is stil in het ziekenhuis. Op de eerste verdieping van het gebouw waar vriendin ligt, zijn de meeste bedden leeg. De patiënten hebben weekendverlof en komen maandag weer terug, zegt zusje. Het zijn er niet meer dan een stuk of tien, blijkt de volgende dag.

Vriendin heeft bezoek: oudste zus en echtgenoot. Oudste zus was bij mijn abrupt vertrek uit het ouderlijk huis halfzijdig verlamd. Dat overkwam haar van de ene op de andere dag. Nu ontbreekt alleen nog maar de kracht in één hand. Tot mijn verbazing is zwager ook gekomen, die om mij onbekende reden lange tijd gebrouilleerd was met vriendin.

’t Is een fraai stelletje medische gevallen, die ‘schoonfamilie’ van me. Toen ik er woonde, kwam regelmatig de nurse langs, zoals vriendin de man noemde. Ik heb hem nooit meer zien doen dan een infuus met een zoutoplossing aanleggen, zowel voor vriendin als moeder, moeder een injectie geven en vitaminepilletjes uitdelen. Hij had wel een echte dokterstas, dus hij zal wel arts zijn, maar ik zou mijn gezondheid niet in zijn handen durven leggen. Vriendin probeerde me meermalen aan het infuus te krijgen, ‘ter versterking’. Heb ik vriendelijk doch resoluut voor bedankt.

Fantasietje
De zaal waar vriendin ligt, bestaat uit vijf compartimenten, gescheiden door schotten, mannen en vrouwen apart, met in elk compartiment acht bedden; vier aan de ene en vier aan de andere kant. Langs de zaal loopt een smal balkon. Er hangen kleren en handdoeken te drogen en er ligt bagage. Vriendin zegt poewat maak maak (letterlijk: pijn veel veel) te hebben. Ze zal dat nog een enkele keer herhalen, maar op dinsdag zag ze al weer kans zonder looprek te lopen en hoor ik haar niet meer over pijn.

Bij de mannen ligt een man met zijn enkel in de boeien, om de andere enkel zit een verbandje. Ik zag dat hij tweemaal bezoek kreeg van de politie. In burger, maar onmiskenbaar agenten. Hij wordt afwisselend verzorgd door een meisje en een jongen. Ze helpen hem met wassen en rijden hem in een rolstoel naar de wc, want lopen met een boei waarin nog een ketting en tweede boei zit, zal wel te zwaar zijn geweest.

Ik kreeg een fantasietje. De man is de Don van een maffiabende. Die komt hem schietend bevrijden. Of hij wordt ’s nachts vermoord door een concurrerende maffiabende. Graag pistool met geluiddemper gebruiken, dan schrik ik niet wakker. Maar de enige oorzaak van mijn nachtelijk ontwaken  is de aandrang om te urineren. Weg fantasietje.

Het is stil op de zaal. Bij vorige bezoeken heb ik dat nooit meegemaakt. Met familie om elke bed die zit te kletsen, kan het behoorlijk rumoerig zijn. Die groepjes zijn net familiereünies, de patiënt lijkt bijzaak te zijn. Maar vandaag doorbreken alleen de plafondventilatoren de stilte.

Hard bed
‘s Avonds ga ik met zusje naar de talad, wat een lange straat blijkt te zijn met mobiele keukentjes en meubilair dat je overal bij eetgelegenheden op straat ziet. Wankele metalen tafeltjes, blauw, rood of blank, wankele krukken. Geen meubilar om eens gezellig lang te tafelen. Bestellen, eten, wegwezen. Voor lang tafelen moet je elders zijn, alhoewel ik in Bangkok wel langs gezelschappen ben gekomen die niet weg te branden waren. Zal wel te maken hebben met de genuttigde en de nog te nuttigen drank. De maaltijd afgemaakt met Moccona uit een 3-in-1 stick, gekocht in de 7-Eleven voor 14 baht, en lopend opgedronken.

De nacht begint vroeg. Om negen uur gaat de zaaldeur op slot en die blijft dicht tot 6 uur de volgende ochtend. Het ziekenhuisbed is hard. Hebben Thaise mensen soms een ingebouwde matras, want ze kunnen op elke plaats en in elke houding slapen? Ook op een nog hardere betonnen vloer.

De enige ontsnappingsroute is de deur naar het balkon. Alhoewel verboden geef ik er toe aan mijn verslaving. De Fire Exit naar de begane grond durf ik niet te gebruiken uit angst dat er dan een alarm gaat loeien. De avondkoelte is nog niet overgegaan in kilte. In de sterrenhemel geen Grote en Kleine Beer en Cassiopeia, de drie sterrenbeelden die ik op het noordelijk halfrond weet te vinden. Wel het Zuiderkruis als oriëntatiepunt, maar hoe dat eruit ziet, ben ik vergeten.

In fasen gebouwd
Rong phayabaan is het Thaise woord voor ziekenhuis. Ik moest het enkele keer herhalen toen ik de busconducteur gebaarde uit te willen stappen. Ik zal wel weer de verkeerde tonen hebben gebruikt of de man was doof, dat kan ook. ’t Is een lastige taal met vijf tonen die betekenisonderscheidend zijn. Ik kan me er een klein beetje in redden, maar een conversatie voeren lukt niet.

Het provinciaal ziekenhuis is een complex van enkele gebouwen van vijf verdiepingen en verschillende kleinere, met elkaar verbonden door lage loopbruggen. Sinds de stichting moet het in fasen gebouwd zijn, want eenheid in de architectuur valt niet te bespeuren. Verschillende ruimtes staan leeg wat ook al niet op een erg planmatige aanpak duidt.

De laatste uitbreiding, waarvan ik de palen heb zien boren, is klaar. Het is een mooi strak crèmekleurig gebouw met op de begane grond de röntgenafdeling, op de eerste verdieping het lab, op de tweede de IC en de derde de operatiezalen. Zou over die indeling nagedacht zijn? Een kleine fotogalerij eert de grondleggers der radiografie, Wilhelm Conrad Röntgen voorop.

Voor het gebouw is een groot terras met op het eerste oog kunststof tafels en krukken, versierd met een vrolijk bloemmotief, en een grasveld met bomen en struiken. Het eerste oog blijkt me te bedriegen. De zitjes zijn van graniet, wat ik niet had verwacht vanwege de conisch gevormde tafelpoten en gebogen krukpoten. Het terras ligt in de zon, waardoor het een groot deel van de dag ongebruikt blijft.

Ik signaleer meer veranderingen. Het ziekenhuisrestaurant met enkele keukentjes is er niet meer, er staat nu een bouwschutting. De ziekenhuiswinkel is verhuisd. De parkeerplaatsen op het voorterrein zijn aan één kant vervallen. De vrijgekomen ruimte is nu een stalling voor motorfietsen. De meeste bestuurders begrijpen zowaar waar de witte lijnen op het asfalt toe dienen.

Winkel van Sinkel
Een groot spandoek bij de hoofdingang vraagt mensen die in Guinee, Liberia en Sierra Leone zijn geweest en binnen 21 dagen koorts ontwikkelen, zich onverwijld te melden. De oproep wordt bij de balie nog eens herhaald. Tot nu toe heeft het ebolavirus nog niet toegeslagen in Thailand.

Bij de emergency room staat het rollend materieel klaar: een armada van rolstoelen en brancards. Brancardiers zitten klaar om patiënten die per ambulance arriveren of met eigen vervoer naar hun bestemming te brengen.

Maandag is marktdag op het plein tussen twee gebouwen. Lange partytenten met een boogvormig dak beschermen tegen zon en regen. Zoals het rijmpje uit mijn kinderjaren zegt: Er is van alles te koop. Kleding, nog meer kleding, nagemaakt naar het voorbeeld van plaatjes in modetijdschriften, vaak aan snelle slijtage en verkleuring na de eerste wasbeurt onderhevig; (zonne)brillen, jeans, huishoudelijke artikelen, plantjes, plastic bloemen, bh’s, onderbroeken (geen bekende merken), tassen en eten, veel eten. Alles in grote hoeveelheden. Mijn jeugdwinkel van Sinkel verbleekt erbij. Als de markt is opgebroken en het plein schoongeveegd, resteren veertien vuilniszakken.

Koffie
Om 6 uur of al eerder is de deur van de ziekenzaal van het slot. In het verpleegsterkantoortje, waar de verpleegsters op de grond hebben geslapen, staan de computers al aan. Op één de bekende icoontjes en een afbeelding van een kop koffie. Ik hoef er niet lang op te wachten want net als op het strand en in de trein komen mannen en vrouw langs: met de krant, met de trekkingslijst van de staatsloterij, met eten en met plastic zakjes koffie. Scharrelaars, die voor een dubbeltje geboren zijn en nooit een kwartje zullen worden. Voor 15 baht drink ik mijn eerste koffie van die dag. Ze is bruin, warm en zoet, dus het moet koffie zijn.

Op de voorpagina van Thai Rath, de Thaise Telegraaf, maar nog een graadje erger, staat een grote foto van een echtpaar in een auto. De man (62) heeft zijn vrouw (35) gedood en daarna de hand aan zichzelf geslagen. De gezichten zijn onherkenbaar gemaakt, maar hun namen staan wel in het bijschrift. In de krant die ik zelf lees, Bangkok Post, zal in ieder geval de foto ontbreken en misschien het bericht ook. Of het staat weggedrukt in de kortkolom.

Om 7 uur staan de eerste patiënten al voor de balie te wachten voor een volgnummer. De wachtruimtes stromen vol, de gemiddelde leeftijd ligt ver boven de vijftig, de kinderen niet meegerekend.

Het witte leger
Om half 8 arriveert het witte leger, smetteloos gekleed, het uniform gewassen en gestreken om de eigen identiteit te onderstrepen. Ik loop er als een armoedzaaier bij. Ik hoef mijn identiteit niet te ontlenen aan mijn kleding of (zoals bij jongeren) aan een dure Samsung of een iPhone 6, het nieuwste van het nieuwste om de verveling te verdrijven. Ik heb mijn huidskleur en alhoewel een misvatting betekent die: rijke man.

Op het terras zitten verpleegsters te ontbijten, op het parkeerterrein staan ze bij een kraampje dat een keus biedt uit negen bakken met gerechten. Ik herken één gerecht: een groenteschotel met stronkjes broccoli, bloemkool en peentjes. Het andere voer is plattelandseten. Ik zag het om half zes aangevoerd worden. Het ziet er niet uit, het stinkt en het smaakt niet. De gerechten worden koud geserveerd, alleen de rijst komt uit een rijstkoker.

Het eten staat op geen enkel menu van Thaise restaurants in Nederland. De Thaise keuken die wij kennen, is een elitekeuken, onbetaalbaar voor de gewone man hier, en vaak ook nog meer Chinees dan Thais. In Rotterdam ken ik maar één restaurant waar de gerechten naar Thailand smaken.

Om 8 uur klinkt op de ziekenzaal zachtjes het volkslied, maar da’s geen reden om het werk te onderbreken. Familieleden helpen met wassen en zonodig met eten. Vriendin laat het ontbijt, rijstepap met nog wat extra’s, geserveerd op een plateau met verdiepte vakjes, aan haar voorbij gaan. Maj aroy.

Een monnik komt langs. Vriendin geeft een zakje met eten. De monnik prevelt wat en vervolgt zijn bedelronde. Laat ik er maar geen cynische opmerkingen over maken. Een bemoedigend woord van de Boeddha, zoals vriendin monniken noemt, helpt misschien meer dan een veelkleurige capsule.

Een arts houdt zijn ochtendronde met achter hem een verpleegster die de patiëntendossiers aanreikt. Hij is in burgerkleding. De computer die op een wagentje staat, toont het beeld van een bekken.

Om half 9 houdt de dagploeg van verpleegsters patiëntenoverleg. En daarna dienen de bezoekers de zaal te verlaten zodat de schoonmaaksters (in geel en blauw uniform) aan het werk kunnen. De verpleegsters meten bloeddruk en temperatuur en delen medicijnen uit. Ik blijf nog even hangen en zie een nieuwe methode van temperaturen. Met een apparaatje in de vorm van een zaklantaarn schijnt de verpleegster op het voorhoofd van vriendin. In de hal voor de zaal halen de bezoekers gemiste slaap in. Op een matje op de harde vloer

Op een stoeprand
Ik drentel wat door het ziekenhuis. Ongewassen want douchen met koud water doe ik alleen bij een buitentemperatuur van meer dan 30 graden. Zie overal opschriften, schema’s, grafieken, aanwijzingen, gezondheidstips, netjes geplastificeerd. Zou iemand ze ooit lezen?

Bij de toegang tot de ziekenzaal hangt een organogram met foto’s van het personeel, hiërarchisch gerangschikt. Zelfs bij de zeepflacon in de toilet- en doucheruimte staat een tekstje. Welk advies krijgt de gebruiker: Eenmaal drukken, dit is zeep, niet voor consumptie?

De mededeling die veruit in de meerderheid is, is No smoking. Ik word er overal in het ziekenhuis aan herinnerd. Een sticker toont een verbodsbord met sigaret en opkringelende rook en een strenge rode streep erdoor. Dus steek ik noodgedwongen buiten een sigaret op, zittend op een stoeprand naast de ingang van het parkeerterrein. Een bord verspert de toegang. Het parkeerterrein is vol, maar wanneer een bobo arriveert, wordt het bord opzij gerold. All animals are equal but some animals are more equal than others.

Roken op die plaats schenkt niet hetzelfde genoegen als roken op een comfortabele zitplaats, het liefst nog met een koffie en eventueel een likeurtje binnen handbereik. Maar de enige, enigszins comfortabele zitplaatsen zijn de kuipstoeltjes, vier aan elkaar gekoppeld, in wachtruimtes en daar mag je uiteraard niet roken.

100 baht
Om 11 uur gaat de ziekenzaal weer open. Andere zus (43) komt langs met dochtertje en kleinkind, de helft van een tweeling. De ander is overleden. Zus werkt in een doerianplantage in Chanthaburi. Sommige mensen zijn gek op doerian, maar ik niet. Ik zal de smaak niet omschrijven, want dan ga ik – en u trouwens ook – kokhalzen. De vrucht verspreidt een onaangename geur, zeg maar gerust: stinkt als de hel. Daarom is die verboden in de metro.

Later komen een man, vrouw en kindje met het syndroom van Down langs. De man is gekleed in een camouflagepak, hij voelt aan het verband van vriendin en wijst naar zijn voet. Ik ken dit soort types. Gaan gelijk over hun eigen kwaaltjes uitweiden. De vrouw ken ik als de dwaze buurvrouw die regelmatig ladderzat was.

De helft van de tweeling zal een dag later worden opgenomen met ademhalingsmoeilijkheden. Het jonge ouderpaar zit bij het bed. De man woonde als kind in het ouderlijk huis. Hij kreeg vaak klappen van vriendin, want die heeft evenals veel Thais dezelfde onpedagogische opvattingen over het gebruik van de roede. Ze is er zelf als kind mee bewerkt door haar vader. Als ik in de schoenen van de jongen stond, zou ik als volwassene niets meer met mijn tante te maken willen hebben, maar familiesolidariteit prevaleert.

Ik schuif een bankbiljetje van 100 baht onder het heilig draadje om de pols van het kind, en ga terug naar vriendin. Wanneer ik afscheid neem, wellen er tranen op in haar ogen. Mijn lieve, zielige zusje; ik heb zo met haar te doen, maar sta machteloos aan de kant.

Nakhon Nayok, Bangkok, 21 januari 2015.

Foto boven: ‘Ik kwam na een vakantie in Nederland terug en trof een vleugellam vogeltje aan.’

  • Trackback are closed
  • Comments (0)
  1. No comments yet.